Verstuikt, of verbrand? Knesselaarse vrouwen wisten er wel raad mee

 

Zieke mensen zullen er wel altijd geweest zijn. Maar zolang er ziekten, kwalen en kwetsuren zijn, zoekt de gekwelde mens naar de meest verscheiden remedies om zich te beschermen of om te genezen. Enkele decennia geleden hoorden we hierover van een aantal vrouwen sterke verhalen. Over aflezen, en zo …

Vijf vrouwen in een snelle schets (Gab in Uilenspiegel)

Onwetende voorouders dachten bij allerhande ziekten, zoals stuipen, astma, huidziekten, wratten en vallende ziekte onmiddellijk aan de straffe Gods of aan de kwade hand des duivels, aan demonen en boze geesten, aan spoken, heksen en tovenaars.

Als afweermiddel gebruikte men amuletten, zoals prentjes, beeldjes, ringen, halssnoeren, mollenpoten tegen tandpijn, hoefijzers boven de deur… Het is moeilijk de grens te bepalen tussen deze vormen van bijgeloof en bepaalde aspecten van de godsdienst. Gelovigen stellen vaak hun vertrouwen in heiligenverering en het aanroepen van heiligen (Sint Antoniusvuur, Sint Katrienewiel), in heilige voorwerpen (kruisjes, medailles, gewijde kaarsen en palmtakken), in bedevaarten.

Bij ongemak of pijn probeerde men zich vaak te behelpen met allerhande middeltjes die men hier of daar vroeger “ontdekt” had. Zo gebruikte men een zweetkous tegen keelpijn, waterde men op winterhanden, legde men een zware ijzeren sleutel in de nek of op het voorhoofd bij een bloedneus, enz…

Hét magisch middel bij uitstek was echter de bezwering. Hierbij gaat het om niet-geestelijken die beweren macht te bezitten om kwade geesten te bezweren, duivels uit te drijven of door uitspraken zieken te genezen of te helpen, al dan niet met Gods hulp.

Dit aspect van de volksgeneeskunde, dat men ook wel “aflezen” noemt, kwam enkele maanden voor de interviews opnieuw in de actualiteit n.a.v. een uitzending van het tv-programma “Terloops“. Klaarblijkelijk is die praktijk van het “aflezen” in onze gemeente nog lang niet verdwenen.

Het Knesselaars blad Uilenspiegel, dat verscheen in de jaren tachtig, ging op zoek naar die dorpsgenoten die dus door het uitspreken van bepaalde woorden of formules, door gebaren en geheimzinnige tekens de pijn zeggen te kunnen verdrijven. Hiervoor kwamen we terecht bij Martha Martlé, Marie (Mietje) Claeys, Ivonne Schelstraete, Angèle De Greve en Clara Van Hulle. Deze vriendelijke mensen vertelden het volgende …

MARTHA MARTLE

Een maandag in augustus 1981. Het is rond vijf uur in de namiddag, als we bij Martha Martlé aan de Urselseweg aanbellen. We zijn benieuwd … We worden binnengelaten … Martha is op dat ogenblik in haar kelder bezig en ze roept dat ze dadelijk naar boven komt. Ze is “op den tv geweest” …

Ondertussen vertelt ze al een hele historie, die ons pas na enkele ogenblikken duidelijk wordt : “Jongens, dat heeft mij al gespeten dat die televisie hier geweest is. Sedertdien heb ik geen minuut rust meer. Ze komen uit alle hoeken van ’t land” Martha doet er – denken we op dat moment – nogal graag een “schepke” bij en ze kruidt alles met sappige uitspraken en met nu en dan een “gedomme” ertussen.

“Kijk, deze voormiddag nog kwam er een madame van rond de zestig uit Brussel. Ze had eerst bij de BRT naar mijn adres gevraagd. Dat mens heeft dan wreed zitten zoeken op alle soorten kaarten om Knesselare te vinden. Ze is dan met de trein afgekomen tot in Aalter. Ze vond niet direct een taxi, en heeft dan maar autostop gedaan, toevallig met iemand die mij kende. ’t Was vlak op de noen en ’k ging juist de post halen, toen die madame hier arriveerde. Ze moest nog eten en ’k heb haar dan maar een paar ’stuutjes met cervola’ gegeven, op een teljoorke, want ge kent dat, hé, een madam uit Brussel … Ze heeft me haar geval uiteengezet, maar ’k zag ’t al subiet wat er scheelde. Ik heb dan mijn ’dingen’ gedaan, ’t Is niet gewoon lezen… En het ‘zeer’ van madams voet was weg.”

HOE LANG DOE JE DIT AL ?

“Wel, ’t is zo gegaan. Ik heb dat van mijn vader geleerd. Hijzelf was er op een dag mee van Frankrijk gekomen. En op ’nen keer – ’k was dan 16 jaar en mijn vader was naar Gent – komt S.B. binnen. We woonden toen nog in de Blakte. S. werkte bij de metsers en er was iemand van de stelling gevallen. Hij had gezegd dat hij iemand wist – mijn vader – die dat kon aflezen. Aangezien mijn vader die dag niet thuiskwam, zei mijn moeder dat ik dat ook kon. Maar ik had liever dat dit niet geweten was en ’k zat standvastig ’muilen’ te trekken naar mijn moeder. Die vent was met zijn verstuikte voet met de trein naar Brugge meegekomen. Ik ging mee naar de Tramstatie en hielp hem van zijn pijn af. En ‘k doe dat nu nog altijd, da mensen van hun pijn verlossen. Van verstuikingen, alleen van verstuikingen. Ge moogt ’t geloven of niet – ’t is mij juist gelijk – als er b.v. iemand komt met een verstuikte voet, dan vraag ik hem om z’n voet op mijn schoot te leggen, ’k Zie subiet waar ’t zit. Hij moet me dat niet eens zeggen, ’k Wrijf er dan eens langs en dan zeg ik : ’Hier is het !’. En dan roepen ze allemaal van ’t zeer, maar ze moeten een momentje op hun tanden bijten. Dan doe ik mijn ’dingen’. Wat het is, ga ’k tegen niemand zeggen. Ik hou het voor mijn eigen, ’k Zeg dan dat de pijn langzamerhand zal wegtrekken. Dan vraag ik om hun voet of hun hand eens te bewegen, en ze zitten dan zo dom te kijken als ze groot zijn. Na een tijdje is de pijn weg en ze zijn vertrokken. En ’k moet d’r niets voor hebben. Maar sommigen geven wel eens wat.”

WAT VOOR MENSEN KRIJG JE ZO OVER DE VLOER ?

Raoul Lambert

“Maar jonk toch, van alle soorten. Ik heb hier al twee keer iemand gehad wiens schoonzoon dokter is, en hij zegt zelf dat ze bij mij moeten komen omdat het dan onmiddellijk gedaan is, daar waar het bij hem 6 weken duurt. Enne, weet ge wie hier ook al geweest is ? Lambert van Brugge, de voetballer. Om 1 uur ’s nachts kwam hij hier toe, en ’s anderendaags kon hij weer voetballen… Er is hier ook eens een jockey geweest die ‘s namiddags moest gaan lopen met zijn paard. Ik heb het afgelezen en ’s namiddags won hij de eerste prijs (200 000 fr.) …

MOET DE PERSOON ER ZELF IN GELOVEN ?

“Dat speelt allemaal geen rol. Of hij erin gelooft, of niet, als ik het aflees, is ’t gedaan met de pijn.’

ALS IK NU DE WOORDEN ZOU KENNEN, ZOU IK DAN OOK KUNNEN AFLEZEN ?

“Als ik u dat zou leren, en zeggen waar de verstuiktheden juist zitten, zoudt ge het ook kunnen, maar natuurlijk niet van de eerste uren of dagen.”

HEB JE OOIT MET IEMAND LAST GEHAD ?

“Gedomme niejek”, lacht Martha, en ze zou nog uren kunnen vertellen, ware het niet dat Uilenspiegel diezelfde dag nog naar andere aflezers moest …

Meer hierover met gesprekjes met andere vrouwen van toen: lees morgen op  www.knesselaarsnieuws.net


Ontdek meer van KnesselaarsNieuws

Abonneer je om de nieuwste berichten naar je e-mail te laten verzenden.

Geef een reactie