Van kloefkes naar schoenen, van lei naar papier (Onderwijs 3)

Vandaag worden er al eens vragen gesteld over ons onderwijs. Te grote klassen, te weinig leraars, aftandse schoolgebouwen… Voer voor discussies, waarom niet. Wij bekijken het even vanuit lokaal en historisch perspectief.  Klassen van 100 leerlingen, kolenlucht, een overdosis goede intenties van de religieuzen, hulp aan de armen, we hebben het allemaal meegemaakt.

De patronagie, een café, de school en de onderpastorie in 1903. Een gebouwencomplex dat tot vrij recent een bastion was van “parochiaal” engagement. Cultuur, vrije tijd, onderwijs en godsdienst. Vier op een rij

In een vorig artikel over dit onderwerp eindigden we rond 1880, de periode van een fanatieke ruzie tussen katholieken en liberalen. We schuiven in deze bijdrage op naar de eerste decennia van de 20ste eeuw. Van kloefkes naar schoenen, van lei naar papier, van werken en bezighouden naar meer kwalitatief onderwijs. Na de felste onrust van de schoolstrijd  stabiliseert zich stilaan de onderwijssituatie in drie lagere scholen, die een kleine honderd jaar lang hier het beeld bepalen.

Onrust was er inderdaad in de periode van de heftige schoolstrijd. Pastoor Emiel Van den Dooren bouwt in samenwerking met het bisdom in 1880 een nieuwe jongensschool in de Kloosterstraat. Bij de opening van de school op 1 juli 1880 is er een enorm volksfeest in Knesselare. Dat leidt bijna tot een leegloop van de gemeenteschool, nadat Karel Arnaut en zijn beide zonen daar ontslag nemen en gaan werken – een tijd lang zelfs onbetaald – in de katholieke school.

De gemeenteschool wordt een officiële school. Van hogerhand stuurt men een zekere Van Ooteghem als schoolhoofd. De katholieke Gentse krant Het Fondsenblad, waar de Knesselaarse schrijver August Bultycnk hoofdredacteur is, waarschuwt hem: “Beste jongen, uwe positie op Knesselare zal het paradijs niet zijn”. Dat conflict bleef aanslepen tot een heel eind in de vorige eeuw.

Fiasco

In de vroege jaren 1880 gaan meer dan 300 kinderen naar de vrije scholen. En de ‘geuzenschool’? “Volledig fiasco bij de opening. Zoo iets als een halve dozijn familiën zonden hunne kinderen”,  triomfeert dezelfde krant (FBl, 10 okt. 1880). Ze krijgen er les van een Gentse juffrouw.

Hoe werd de nieuwe school gefinancierd? Leraars werden aanvankelijk betaald met de opbrengst van omhalingen en het ‘Werk van den Katholieke Schoolpenning’, een landelijke vereniging die giften en geld inzamelde voor de ondersteuning van het katholiek onderwijs (°1876).

Jules en Alfons Arnaut kregen er met meester Alfons Stevens op school voor het eerst een collega bij

Bij de start waren er maar twee klassen, “bestuurd door de heeren Alfons en Jules Arnaut”. De een had 120 leerlingen, de ander 143. Het lijkt dezer dagen onwaarschijnlijk.

Die toch wel bedenkelijke situatie duurt tot 1 oktober 1886. Na de val van het liberale ‘geuzenministerie’, hebben de katholieken het weer voor het zeggen. Dat heeft ook gevolgen voor de overheidssteun van de vrije scholen. De vrije katholieke jongensschool wordt in oktober 1888 door de gemeente officieel “aangenomen” en dus mee gefinancierd. En er komen hulponderwijzers (niet gediplomeerden).

Pas in 1886 wordt een derde klas aangenomen en komt Alfons Stevens lesgeven. De drie leraars krijgen nog enkele jaren lang de steun van zogenaamde monitoren (Octaaf De Waele, Adolf Dhavé)

Behoeftigen

In een historisch verslagje van toen lezen we: “Van ’t begin af genoot de katholieke school het vertrouwen en de edelmoedige ondersteuning van de Knesselaarsche bevolking; zoo werden er dikwijls brooddeelingen gedaan aan de behoeftige leerlingen; en alle jaren had eene schoone prijsuitdeling plaats. 120 leerlingen van de eerste klas en 143 van de tweede klas kregen eene schoone belooning of aanmoediging; de behoeftigen kregen gemaakte kleederen, sargies, enz… de andere kregen boeken”.

De kinderen komen “alleronregelmatigst en allergebrekkigst naar school”, klaagde Alfons Arnaut. Zeker in de zachte en warme maanden moesten velen thuis nog helpen op het land, op de kleinere kinderen passen in veelal grote gezinnen, op de koeien passen. Soms kwamen ze ook maar een paar uur per dag naar school. De leerplicht kwam er pas in 1914 en de facto – wegens de oorlog – pas in 1918.

Vierde en vijfde klas

Nog eens tien jaar later, in 1896, komt er een vierde klas en in 1910 een vijfde. Het gaat moeizaam omdat de gemeente tegenstribbelt, om financiële redenen. In het begin krijgen die extra klassen zelfs les van een paar kloosterzusters. Tot de nieuwe onderwijzers Alfred Segers (van 1891 tot 1931) en Adolf De Baets in dienst treden (van 1894 tot 1937,  zie klasfoto).

Even terzijde toch dit over de achtergrond van de eerste onderwijzers. Opmerkelijk hoe ze mekaar ook buiten de school vonden. Zowel de gebroeders Arnaut als Segers en De Baets waren medestichters van de Vlaamse Strijdbroeders. Maar ook de volgende generatie onderwijzers, die kort voor, tijdens of kort na de Tweede Wereldoorlog in dienst treden (Albert Casneuf, Alfons Ryserhove, Jozef Arnaut, Gerard en Edgard Van de Casteele, Henri en André Van Hooreweghe, Roger De Neve (jongenssschool), Walter Van Ryckeghem, Antoine Magerman en Jozef Van Thuyne (gemeenteschool) – waren lid en zelfs bijna allemaal bestuurslid van die katholieke en Vlaamsgezinde organisatie.

Jongensschool 1908, met meester Adolf De Baets. Niet bepaald een klein klasje (Foto Pauline Cooreman – haar vader Denis (°1904) is de kleine kerel vooraan, vijfde van links)

De kloefkestijd, nog net voor WO1. Eén zonder klompen, maar met schoentjes. Meester Adolf De Baets, vader van “madame Vanthuyne”, met bijna vijftig leerlingen van zijn tweede leerjaar

Na de Eerste Wereldoorlog start meester Raymond Segers (1919-1935) en – en dat is “nieuw” – komen twee gediplomeerde vrouwen lesgeven in de jongensschool: Irène Rodts en Yvonne Segers. Hiermee zijn we aanbeland bij de periode waarvan de oudste inwoners van vandaag zich nog de namen zullen herinneren.

De jongensschool in 1936 met meester Henri Van Hooreweghe (1935-1942, Foto Renaat De Blaere)

Meisjesschool

In die periode tussen schoolstrijd (1879) en WO1 groeit ook de (katholieke) meisjesschool uit haar voegen. Na het vertrek van de Zusters van Liefde (1891) zijn het de zusters Franciscanessen die het meisjesonderwijs organiseren. Bij de overname zijn er nog maar twee klassen in het lager onderwijs, een bewaarschool en een kantwerkschool. De meisjesschool werd “aangenomen” door de gemeente.

De school groeide snel. In 1914 waren er al zes klassen voor 277 meisjes, of gemiddeld 46 kinderen per klas. In het kleuteronderwijs (de bewaarklassen) waren er drie bewaarklassen met 213 kinderen, of 71 kinderen per klas. Dat zijn cijfers die de klachten over grote klassen vandaag toch enigszins relativeren.

De Franciscanessen gaven een tijdje les aan twee klassen van de jongensschool, waar men geen plaats meer had. Ze  organiseerden een zondagschool met ook hier 273 kinderen voor 6 klassen, volwassenenonderwijs (adultenschool) met 17 leerlingen, en een huishoudschool met 24 inschrijvingen. Stilaan zorgen de zusters Franciscanessen voor een primitieve vorm van “vervolgonderwijs” na de lagere school. De kantwerkscholen van de jaren 1800 zijn uit beeld verdwenen. In de plaats daarvan komt er een breischool, later een naaischool en een huishoudschool met 24 inschrijvingen.

De sterke groei zou in de jaren 1900 nog een tijdje doorgaan. In 1945 waren er 323 meisjes voor dan al 9 lagere klassen, en 182 jongens en meisjes in de bewaarschoolklas. Naast tal van kloosterzusters kwamen stilaan ook leken-leerkrachten lesgeven. Bij de eersten waren Anna Braet (echtgenote Omer Van Poucke) en Antoinette Magerman (echtgenote Antoon Van der Steene). Die laatsten hadden een korte carrière, want zodra ze kinderen kregen, moesten ze uitkijken naar een andere job, of gewoon thuisblijven.

Klas van de meisjesschool ca 1908. Meisje met de opvallende vlechtjes, Anna Hooft, werd later voor velen op De Plaats “tante nonneke” uit Aalst. Ze had voor familie en buren niet zelden lekkere dingen mee. En van haar kregen we een fotoboek van Knesselare met  veel foto’s uit de jaren 1930

In de periode tussen Schoolstrijd en WO1 is er in Knesselare nog veel armoede. Die wordt nog duidelijker in de oorlogsjaren 1914-1918. Kinderen krijgen op school ‘vitamines en ‘ traanballen’ (levertraan) of soep van Winterhulp en maandelijks chocolade via groothandelaar Roose.

Nog een klas in de meisjesschool. Tel de kopjes. En let op de uitbundig lachende gezichten  (Foto Pauline Cooreman)

Na “spellewerken” (kantwerk) kwam “breien” (zie bordje). Een handigheid om onderwijs te combineren met een vleugje commercie.

Knesselare 1914. De patronage wordt gebruikt als locatie voor de naai- en snijlessen. Singer Naaimachines veroveren de wereld

Naast lager onderwijs kiemde in het begin van de jaren 1900 stilaan ook het voortgezet onderwijs. Die dames volgen les huishoudkunde, samen met snit en naad de basis van het latere secundair onderwijs kleding en huishoudkunde in het Sint Anna Instituut

Juffrouw Amanda Segers op de foto in 1929. 56 leerlingen. Alfons Ryserhove in Het Knesselare en Ursel van toen gaf volgende namen: Maria Valcke, Margriet Timmerman, Paula van Waeyenberghe, Mariette De Kesel, Régina Bouché, Christella Reyserhove, Anna Arnaut, Maria De jaeger, Suzanne Claeys, Julienne Verbeke, Maria Verniest, Yvonne Gussé, Simone De Neve, Martha Heyse, Anna Vermeire, Juliette Bockaert, Yvonne Wittouck, Lea van Heyste, Maria Claeys, Suzanne Vyncke, Margriet Lammertyyn, Elza Schoonacker, Gabrielle Cocquyt, Bertha Neyt, Hilda Neyt, Maurits De Muynck, Remi Verbeke, Remi Van Hooreweghe, Robert Verkimpe, Alfons Neyrinck, Emiel Stock, Rafaël Van Hooreweghe

Irene Rodts met 43 leerlingen tijdens het schooljaar 1928-1929

Gemeenteschool

Na de schoolstrijd was de gemeenteschool zo goed als leeggelopen (nog amper 32 kinderen in 1888). Het katholieke gemeentebestuur toonde weinig belangstelling voor het voortbestaan van de school, en werkte zelfs tegen als er personeel moest worden aangeworven of zodra er middelen moesten worden voorzien.

Meester Basiel Stevens, met zijn klas in 1913, een periode dat zwart in de kledij overheerste

Vanaf 1884 wordt het gemeentelijk onderwijs, dat zich minder anti-katholiek opstelde en nu ook godsdienstlessen gaf, “aangenomen”, lees gesubsidieerd. Basiel Stevens uit Nazareth wordt schoolhoofd en zal dat blijven tot 1924. Er is op bevel van de gouverneur van 1886 tot 1924 ook een klas naaiwerk

Na de Eerste Wereldoorlog gaat het ook hier vooruit. In 1924 wordt de Knesselaarse Clara Van Lantschoot (moeder van Jozef Van Thuyne) er het eerste vrouwelijke schoolhoofd. Arthur Steyaert uit Ursel wordt de tweede onderwijzer. In 1932 staat Armand Hallaert voor een derde klas. De school wordt verbouwd in 1937-1938.

Voortaan zijn er vier klassen. Nieuwe onderwijzers komen eraan: André Lambert uit Maria-Aalter, in 1939 vervangen door Walter Van Ryckeghem. Hiermee zitten we ook hier bij de generatie onderwijzers die de oudere inwoners van Knesselare nog goed hebben gekend. De gemeenteschool groeit stilaan weer een honderd leerlingen en evolueert van gemengde school naar een jongensschool.

Explosie

Tot hier de wat meer statistische info over de “explosie” van het onderwijs in Knesselare in de periode 1880-1940. Die ging gepaard met een al even grote vernieuwing in de omkadering en in de werking, al ging dat stapvoets.

De kwaliteit van het onderwijs was honderd jaar geleden nog ondermaats. Leerplicht was er niet. In 1880 kon de helft van de lotelingen (weliswaar vooral samengesteld uit de lagere sociale klassen) voor het leger niet eens een eenvoudige optelsom maken.

Maar toch was die periode in de aanloop naar de Eerste Wereldoorlog ook de start van tal van nieuwe initiatieven: er werden “bewaarscholen” opgericht, maar ook zondagsscholen, een melkerijschool, een tekenschool. Stilaan verdwijnen de echte “werkscholen” (kantwerkscholen, brei- en naaischolen). En met almaar meer goed geschoolde onderwijzers wordt het onderwijs stilaan een hefboom naar materiële en intellectuele vooruitgang.

Leerlingen komen naar school met houten boekentassen, met weefmatjes en –naalden. Wiskunde hangt voor een deel nog vast aan het telraam, schrijven aan schoonschrift met een griffel op een lei. Er wordt volgens documenten in het kloosterarchief les gegeven over het ‘wettelijk stelsel van maten en gewichten’ of ‘metriek stelsel’, over de grondbeginselen van de Vlaamse en Franse taal, over aardrijkskunde, de geschiedenis van België, gezondheidsleer, handwerk, huishoudkunde en enkele begrippen over land- en tuinbouw en natuurwetenschappen. En natuurlijk zijn er ook de lessen over het Heilig Land en over de “gewijde geschiedenis”. Godsdienst blijft in de meisjesschool overheersend (11 op 30 wekelijkse lesuren), voor de Franse lessen (na de schooluren) moet worden betaald. Er is zes dagen op zeven les. Met Kerstmis en Pasen is er ongeveer tien dagen vakantie. De grote vakantie duurt vier weken (september!), later zes weken (halve maand juli en augustus).

Het lesmateriaal wordt uitgebreid.. In de klassen staan telramen, hangen afbeeldingen van de vier jaargetijden, de kaart van Belgisch Congo, portretten van koning Albert en koningin Elisabeth, historische prenten. Meer vernieuwingen komen eraan, zoals geneeskundig onderzoek, gymnastiek, zang en voordracht, meer handboeken, het leren omgaan met passer, winkelhaak en graadboog, leerplannen voor de lesgevers…). De winters probeert men buiten te houden met kolenkachels. Na de Tweede Wereldoorlog zet die trend zich door, maar in een snel veranderende wereld. Volgende keer iets meer hierover.

 

 


Ontdek meer van KnesselaarsNieuws

Abonneer je om de nieuwste berichten naar je e-mail te laten verzenden.

Geef een reactie