Willy’s barre avontuur in Stanleystad

“De acht van Stanleystad”, het zegt u hoogstwaarschijnlijk niets. Willy Guidé, die zijn kinder- en jeugdjaren in Knesselare doorbracht, was een van de acht Belgische militairen die in 1961 zes maanden lang in Congo werd gegijzeld en gefolterd door opstandige aanhangers van Lumumba. Tekst van Paul Verhoestraete.Willy Guidé werd hier geboren op 25 december 1940 als zoon van Gaston en Marcella Mestdagh. Omdat men zijn steun op jonge leeftijd thuis goed kon gebruiken kwam er van studeren niet veel  in huis. Als achttienjarige werd hij dan ook al milicien (de klasse ’59) waarop een periode van drie jaar als Nato-vrijwilliger volgde, waarin hij een opleiding als radio-operator kreeg in Mechelen. Vervolgens muteerde Willy naar de karabiniers in de Prins Boudewijn gevechtseenheid in Siegen (Duitsland).

Eerste missie: naar het onrustige en pas onafhankelijke Congo

Van 10 juli tot 12 augustus 1960 nam Willy deel aan een eerste missie in het toen onrustige en pas onafhankelijke Congo. Hun opdracht bestond erin de blanke bevolking op te sporen, te beschermen en nadien te zorgen voor repatriëring. Hierbij leverde hij samen met zijn strijdmakkers in uiterst moeilijke en gevaarlijke omstandigheden puik werk.                      

Willy Guidé op het vliegveld van Kitona

Tweede missie: Ruanda

Op 11 januari 1961 vertrok Willy, als vrijwilliger, met acht karabiniers uit SIegen voor een tweede missie naar de grensstreek van het voormalige Belgisch Kongo en Ruanda-Urundi met als doel de 150 para’s die de streek daar controleerden te gaan versterken. Het was vooral hun taak te beletten dat de Lumumbisten, aanhangers van rebellenleider Lumumba, de Ruandese grens zouden oversteken.

Willy Guidé met de marcherende karabiniers (eerste rij – midden).

Willy vertrok met een al bij al een goed gevoel in de overtuiging een kalme periode tegemoet te gaan in het toen nog niet onafhankelijke Ruanda-Urundi. Eenmaal daar aangekomen kregen de karabiniers de opdracht de militaire eenheid in Changugu (een stadje in het zuidwesten van Ruanda) te vervoegen. Ze kregen een vrachtwagen om de rit van twaalf kilometer aan te vatten. Er waren wapens aan boord, maar geen munitie. Ook een stafkaart met routebeschrijving ontbrak. “Gewoon de weg volgen” was het bevel en zeker de grens Ruanda-Congo, gevormd door de Ruzizistroom, niet oversteken. Al onmiddellijk bij de aanvang van de rit ontstond er spanning over het volgen van de juiste weg. Men was immers een uitgedroogde vlakte overgereden die waarschijnlijk de uitgedroogde rivier was maar tevens de grenslijn!

Plots werden Willy en zijn makkers omsingeld door Congolese rebellen die het vuur op hen openden. Aangezien de Belgische karabiniers geen munitie hadden gaven zij zich onmiddellijk over. Zij werden vervolgens ruw op de grond gegooid, twee aan twee geboeid en naar een nabijgelegen dorp gebracht.  Hier werd duidelijk dat de Belgische para’s toch de grens met Congo overschreden hadden en nu in handen waren van Lumumbisten die hen ervan verdachten inlanders gedood te hebben.

Jachttrofee

Er volgden allerlei vormen van mishandeling. Ook Willy werd bespuwd, geschopt, geslagen en met stenen bekogeld en allen vreesden ze geëxecuteerd te worden. Er werd besloten hen naar Stanleystad over te brengen, een tocht van 1.850 kilometer! Die tocht duurde drie dagen en twee nachten. In elk dorp langs de weg werden zij als jachttrofee uit de wagen gehaald en meermaals mensonterend mishandeld door hysterisch dansende en blijkbaar gedrogeerde bewoners. Het was hun wraak voor tientallen jaren onderdrukking door Belgische kolonialen. Toch hadden ze de indruk dat ze in leven moesten blijven. Telkens de mishandelingen te erg werden greep een bewaker in. Er mochten duidelijk geen slachtoffers vallen.

Willy uiterst rechts, met wit hemdje

Achteraf werd vernomen dat de majoor van de Belgische para’s, de toenmalige minister van defensie Paul Segers de toestemming had gevraagd om de onfortuinlijke karabiniers te bevrijden. Hij kreeg die niet. De minister vreesde voor een internationaal conflict indien Belgische militairen de Congolese grens overstaken…

Gevangenschap

Eenmaal in Stanleystad aangekomen werden Willy en zijn lotgenoten opgesloten in het ‘Prison Central’ na eerst nog een verschrikkelijke rit door de stad te hebben meegemaakt.  Eén na één werden ze tot bloedens toe geslagen. De zwarte bewakers genoten blijkbaar van het schouwspel.

Foto omtrent het moment waarbij de Belgische militairen de zoveelste mishandeling zouden ondergaan

De Belgische soldaten werden in een apart kwartier van de gevangenis opgesloten en dat was in hun voordeel. Willy is ervan overtuigd dat hij het anders nooit zou overleefd hebben. De rest van de gevangenis werd bevolkt door dieven, moordenaars en ‘krokomannen’, dat waren kannibalen! Hun behandeling was echter nog steeds onmenselijk. Nachtelijke tochten op de knieën over een pad met kiezelsteentjes, met blote handen riolen  reinigen, aanhoudende honger en dorst lijden, want slechts af en toe kregen ze een pot eten bestaande uit vervuilde rijst.

Ondertussen heerste er in Changugu, de stad in Ruanda waar zij vertrokken waren, enige onrust want niemand wist waar de Belgische soldaten zich bevonden. Er werd een rapport opgesteld op 18 januari 1961 en dit betekende de start van een zoekactie door UNO soldaten en het Rode Kruis waardoor de feiten bekend werden.

 

 

 

Lumumba

De toestand voor Willy en zijn lotgenoten verslechtte zienderogen. Op 16  februari werd Patrice Lumumba vermoord en er brak een opstand uit onder de gevangenen. Er werd gevreesd dat de Lumubisten hen nu zouden vermoorden. “Toen kropen wij door het oog van de naald”, aldus Willy.

Door de tussenkomst van een Nederlandse krokodillenjager die ook in de cel zat werd vernomen dat de Franse consul de plaatselijke generaal Lundula  had kunnen bereiken die beloofde zijn persoonlijke wacht in te zetten en aldus de Belgische militairen extra bescherming te geven.

Het Belgische leger gaf toen het bericht vrij dat Willy en de overige karabiniers “ergens in Congo” gevangen genomen waren. De familie van Willy leefde ondertussen in angst en onzekerheid…

Beterschap

Vanaf 1 maart kwam er beterschap: schone kleren, sigaretten, beter eten…De gevangenen mochten nu ook een brief schrijven naar het thuisfront, dit door tussenkomst van het Rode Kruis, dat beloofde dat ze spoedig zouden vrijkomen. De journalist Pierre Davister slaagde erin de mannen te bezoeken en schreef er een artikel over in ‘Het Laatste Nieuws’. Meteen was heel België nu op de hoogte van hun situatie.

Op 2 april kwam een zekere Delahaye, een Belgische plantagebeheerder uit de streek van Stanleystad, op bezoek.. Hij kreeg de toelating het nodige voedsel te brengen, in ruil voor benzine voor de kampcommandant. Het echtpaar Delahaye bleef nadien regelmatig op bezoek komen en verklaarde dat het “hun jongens” waren die ze kost wat kost wilden verzorgen. Dat lukte, telkens in ruil natuurlijk voor nog meer benzine…

De toestand verbeterde nu opmerkelijk. Er werd zelfs een voetbalmatch georganiseerd tegen de zwarte gevangenen. De Belgische militairen wonnen met 4-1, maar werden opnieuw geslagen en geschopt omdat de zwarten de nederlaag niet aanvaardden. Diezelfde Delahaye kon bekomen dat de match werd overgedaan (mits enkele flessen…) en ditmaal wonnen de Congolezen met 3-1.

Op 04 juni 1961 kwam een Congolese majoor plots in de cel van Willy en zijn kompanen met de melding dat ze snel zouden vrijgelaten worden. Het duurde echter wel nog tot 22 juni vooraleer de gevangenisdirecteur de toelating kreeg van minister Gbenye om de Belgen over te dragen aan Ethiopische UNO-troepen. Die begeleidden de Belgen naar het plaatselijke vliegveld.

Terug thuis

Op 24 juni landde Willy, via Leopoldstad en een tussenlanding in Madrid, veilig op Melsbroek. De thuiskomst in Knesselare was één gejuich  van wachtende familieleden en vrienden. De plaatselijke muziekmaatschappij onthaalde hem op een feest zonder weerga! De pers was er natuurlijk als de kippen bij om dit unieke verhaal in het lang en breed te publiceren. Willy had echter van een officier de raad gekregen niet te veel negatieve feiten te vertellen over zijn verblijf en gevangenschap in Congo, omdat dit andere nog achtergebleven Belgen zou kunnen schaden.

Bij het eerste terugzien van zijn familie in Knesselare vernam Willy dat zijn Duitse vriendin de avond voordien bevallen was van een flinke zoon, Willi (naam gegeven omdat men niet zeker was dat vader Willy zou terugkeren…).

Deze slideshow heeft JavaScript nodig.

Willy’s thuiskomst in Knesselare. Na lange bange maanden ziet Willy’s moeder haar zoon terug. Willy is overgelukkig, vader en moeder moeten alles nog verwerken. Willy bleef beroepsmilitair tot aan zijn pensioen en ging in Sint-Joris-ten-distel wonen. Hij kreeg nog drie kinderen. In 2012 overleed zijn echtgenote Rose Marie.

Willy nu, meermaals gedecoreerd voor zijn uitzonderlijke prestaties

Sedert 1981 voert Willy een briefwisseling met de bevoegde ministers om een compensatievergoeding te krijgen voor de periode in Congo, zoals dit ook van ambtswege voorzien is in de andere Nato-Uno lidstaten voor gevaarlijke opdrachten, gisteren, vandaag en in de toekomst. Dezelfde opdrachten, dezelfde rechten. Deze periode beschouwt men echter niet als dienst en ze kregen er dan ook geen wedde voor. Als reden gaf men op: jullie waren niet beschikbaar voor de dienst!

Willy en zijn nog in leven zijnde lotgenoten houden jaarlijks een bijeenkomst. Ze proberen nog altijd om via verschillende overheden voor hun gevangenschap toch een vorm van schadevergoeding te krijgen. Dat wordt nog altijd afgewimpeld omdat hun avontuur niet in een oorlogssituatie plaatsvond.