Hoe zat dat hier vroeger met de bijstand?

 

Leeflonen, daar is op zich natuurlijk niets mis mee. Als er geen misbruik wordt van gemaakt. Dat thema kwam dezer dagen heel stilletjes aan bod.  Het mag geen dweilen worden met de kraan open. Ook aan de bijstand zijn er grenzen. Hoe zat het hier in Knesselare met de bijstand vroeger?

Pas in 1925 gaat de overheid zich, via de oprichting van de Commissies voor Openbare Onderstand (C.O.O.) echt bezighouden met sociale politiek. Voordien was er enkel de liefdadigheid, vooral door de Kerk georganiseerd.

De laatste echte hongersnood (jaren 1840) verdubbelde het aantal jaarlijkse overlijdens. Maar dat betekende niet het einde van de miserie. Tot een eind in de 20ste eeuw was sociale hulp vooral het werk van kerkelijke organisaties.

Er waren voor wie uit de boot viel maar weinig opties: bedelen, leven van wat kerkelijke steun, emigreren, of kleine crimineel worden. Onze Knesselaarse voorouders kenden dat verhaal.

 

Door Vlaanderen zwierven tot omstreeks 1900 nog benden bedelaars. Ook nog in onze contreien.

Onder al de gemeenten wellicht geene die tot hiertoe en niet het minst den voorleden winter, door vreemde schooiers en landlopers werden bezocht en geplaagd dan de gemeente Knesselare. Des avonds vergaderde men in eene herberg op Zeldonck, tusschen Knesselare en Oedelem. Daar werd de avond in drinken, rooken en zingen zeer lustig en vroolijk overgebracht. Men sliep hier of daar in eene schuur en ’s anderdaags ging men naar eene andere gemeente op bezoek’. (Gazette van Eecloo, GVE, 3 april 1888)

 

Voedseldiefstallen waren in de gemeente geen zeldzaamheid:

‘Zeven schoone konijnen en groensels gestolen uit de lochtingen van P. Van Severen, D. Van de Velde en de kinderen Van de Kerckhove’ (FBl, 1888). ‘Een jonge landbouwer, Alfons De Vos, betrapte op zijn hof eenen jongen dief, volop bezig met eieren te stelen. De Vos hield den guit aan en sloot hem tot ’t morgens in zijnen aardappelkelder. Van daar werd hij vrijdag door den veldwachter naar het gemeentehuis gebracht. (Fondsenblad FBL, 1891). ‘Dieven hebben een bezoek gebracht aen den kelder van den landbouwer Temmerman. Deze is er van af geweest met een dozijn kilos boter en smout. De policie is op zoek naar de daders’ (Gazette van Eecloo GVE, 1896).

De kleine criminaliteit was dichtbij de mensen: ‘Er zijn in de gemeente zooveel strooperijen gepleegd dat men zou denken dat er een bende van Baekelandt of Jan de Lichte nestelt. Onlangs werd op den Dries een geslacht varken uit de kuip gestolen; bij eenen landbouwer werd gedorschen haver ontvreemd; overtijd ontdekte men gestolen hennen in Eentveld. Verleden week poogde men in te breken bij eenen landbouwer aan de Kapelle; over eenige dagen werd een varken uit zijn hok gehaald bij De Bruyne’. (GvE, 1896)

‘Brooddeling uit het dorp’ (Frans van Leemputten)

Armenzorg was in die tijd vooral een kerkelijke activiteit. In de wintermaanden werden tientallen jaren lang ‘sargies, kolen, brood, roggemeel, kloefen en kousjes’ uitgedeeld. Niet zelden gebeurde dat door het merkwaardige genootschap “Confrerie Vincentius-a-Paulo”, dat ook in de kerk ‘brood aan den armen’ bedeelde. De Knesselaarse Confrerie, het ‘vrijwilligersleger der christelijke liefdadigheid’, werd gesticht in 1876, telde een twintig werkende leden, vijftig tot honderd ereleden en 25 tot 35 vrouwelijke inschrijfsters.

Elke zondag bespreken de Vincentianen na de vroegmis in het klooster wie welke hulp kan krijgen. Men helpt vaak dertig, soms vijftig gezinnen. In den winter wordt regelmatig met twee, drie of vier samen met den lanteern naar afgelegen wijken gegaan waar arme huishoudens ondersteund werden.

Vaak wordt ook na de zondagsmis ‘brood aan den armen‘ uitgedeeld. Hiervoor was de omhaling met de tweede schaal uit de kerk bestemd. 60-plussers zullen zich dat herinneren. Dit gebruik bleef in voege tot kort voor de Tweede Wereldoorlog. De armenbank uiterst rechts in de kerk is trouwens nog een stille getuige uit die tijd. (archief Vincentianen).

In 1899 schrijf verslaggever Alfons Arnaut:

“Onze voornaamste giften blijven steeds kleederen, slaping, plantaardappelen, een weinig hulpgeld tot het aankopen van zwijntjes’. Een greep uit een van die zondagverslagen: August S. krijgt een hemd, August V een kleedje, Fred M. 25 kilo roggemeel, Henri D.S. een kwart zak aardappelen, Petrus V vier paar kloefjes en kousjes, Ambroos V. zes ellen katoen, één onderbroek en één sargie. Henri P. een halve kilogram smout…

 

Het was ook de tijd van de grote Vlaamse emigratie:Rond de eeuwwisseling (1900) vertrekken vele tientallen Knesselarenaars naar Amerika. Aanvankelijk vooral naar Argentinië, later naar de Verenigde Staten en Canada.

Drukte bij de Red Star Line, boot naar het beloofde land

Zondag laatst zijn rond de zeventig inwoners onzer gemeente, waaronder vele kinderen, vertrokken om naar Argentina een beter bestaan te gaan zoeken… In de statie van Aalter konden de landverhuizers hunnen ontroering niet meer bedwingen: mannen, vrouwen en kinderen weenden dat het drukkelijk was om zien.’ (Fondsenblad, 14 januari 1889).

Zwarte ellende

Maria Strobbe vertelde in 1992 over haar herinneringen. Zij was betrokken bij de eerste sociale acties in de sigarenfabriek en later met voorsprong het eerste vrouwelijke gemeenteraadslid in de jaren 1920.

Maria Strobbe

“Zwarte ellende, dat is niet overdreven. Vooral op de buitenwijken. het mannenvolk, dat waren d’heeren. De vrouwen hadden niets te bassen. We gingen toen bij veel mensen op bezoek. Ik zie het nog goed voor mij, hoe veel kinderen daar in de winter gedekt lagen met grove patattenzakken, ze hadden heel weinig te eten”. We vroegen aan de meer welgestelden in ’t dorp oude lakens en kleren om ze toch wat te geven. Op een dag kregen we Victor Maeyens, een begoed man eens mee om naar de ellende te gaan kijken. Een beetje later mochten we met twee van onze mannen bij hem een hele dikke rol witte flanel gaan ophalen We maakten er hemdekens en lakens van… Wie geen werk had, was een echte duts. Maar sommigen die geld verdienden, verdronken het”. (Het Nieuwsblad, 28 nov. 1992)

 

Na de Eerste Wereldoorlog is het aantal behoeftigen sterk gedaald. De broodbedelingen verdwijnen uit het dorpsbeeld. In 1925 wordt de sociale situatie nadrukkelijker aangepakt door de overheid, met de oprichting van de Commissies van Openbare Onderstand (COO’s, in 1977 vervangen door de Openbare Centra voor Maatschappelijk Welzijn OCMW). Maar daarover later meer.

 

 

 

 

 


Ontdek meer van KnesselaarsNieuws

Abonneer je om de nieuwste berichten naar je e-mail te laten verzenden.

Geef een reactie