De wijze lessen van meester Roose uit Knesselare

Ook in Eeklo zijn ze al eens met  Knesselare bezig. Paul Van de Woestyne analyseert in Heemkundige Bijdragen uit het Meetjesland (1) een zeldzaam memorieboekje van “Napoleonsoldaat” Joannes Maeijens. Hierin staan 18 dictees die hij tussen 1795 en 1801 moest schrijven voor Joannes Franciscus Roose, “schoolmeester der prochie van Knesselare” (2). Roose gaf les in de Kloosterstraat en is een voorvader van de huidige familie Roose.

Jan Maeijens (sic,° 13 december 1784 in Knesselare en zoon van de koster Carolus Jacobus Maeijens) was een telg uit de grote familie Maeyens. Een interessant boekje van Jan Maeijens is bewaard gebleven in het archief van voormalig notaris van Knesselare Francine Maeyens. In dat boekje vinden we de door hem als kind genoteerde “dictees”, maar ook  notities over wat hij als jonge man meemaakte als “soldaat van Napoleon”.

Van de Woestyne begint zijn verhaal met de vermelding dat Jan Maeijens als jonge gast bij de “loting” (3) op 21 oktober 1805 een slecht lot trok en meteen militaire dienst moest doen in het leger van de Franse bezetter. In februari 1806 moest hij mee op veldtocht met de Franse legers.

Maeijens noteerde per dag welk traject hij afgelegd had en hoeveel uren hij gestapt had.  Hij vertrok als 22-jarige met zijn regiment vanuit Gent.  Met zo’n 5 à 9 uren stappen daags (gemiddeld 50 à 60 kilometer) trok hij via Poitiers, Grenoble, de Alpen, en Turijn naar Alessandria in Italië. Na enkele maanden ging het naar Braunau in Oostenrijk. Vervolgens naar Barcelona, waar zijn regiment deelnam aan Napoleons Spaanse veldtochten.

Een riskante onderneming was dat, want tijdens deze woelige periode stierven er in Knesselare meer soldaten dan burgers en militairen tijdens de Tweede Wereldoorlog. We schreven hierover al eerder op KnesselaarsNieuws. Lees HIER

Maeijens raakte uiteindelijk ook gewond. In Monserrat viel hij in een steenput en werd ongeschikt verklaard voor verdere militaire dienst. In augustus 1811 werd hij in Bayonne uit het Franse leger ontslagen en hij keerde terug naar Knesselare (38 dagen) waar hij na zes jaar “dienst” op 13 oktober 1811 aankwam.

“Jan Maeijens bleef ongehuwd en was in Knesselare een byzonderen”, aldus Paul Van de Woestyne. Blijkbaar kon hij van zijn huuropbrengsten en renten leven. Hij behoorde tot de notabelen van zijn dorp. Zijn jongere broer Eugenius was heelmeester, dokter en van 1848 tot 1856 burgemeester van Knesselare. De grafsteen van Eugenius staat nog overeind op het Knesselaarse kerkhof. Jan Maeijens zelf  overleed op 13 mei 1872.

Dictees

Nog interessanter en uitgebreider zijn de schoolnotities van de jonge Jan Maeijens in datzelfde boekje, waarin we enkele tientallen “dictersels” (dictees) kunnen lezen, die meester Joannes Franciscus Roose hem liet noteren. Die teksten leren ons een en ander over de taal, maar ook over de samenleving van toen.

Van de Woestyne over meester Roose zelf. “Die had in Knesselare een parochiaal schooltje waar hij tegen betaling les gaf aan enkele tientallen kinderen. Ze leerden lezen, schrijven (spellen) en rekenen (cijferen) en kregen godsdienstles. De beste leerlingen leerden nog wat Franse woordjes en kregen wat aardrijkskunde en geschiedenis. Uit zijn dictees blijkt dat Jan Francies Roose ook wat Frans en Latijn kende en goed op de hoogte was van de astronomie. Zijn “dictees” (dictaemen) zijn meer dan gewone tekstjes. Het zijn verzen, met versvoeten en eind- en binnenrijmen.”

Wie er meer wil lezen, netjes hertaald en van commentaar voorzien, moet zich dit nummer of een jaarabonnement aanschaffen bij de redactie van het tijdschrift (**). Wij beperken ons tot een drietal voorbeelden.

Eerste dictee (1 Dictaeme) 

Het eerste dictee dateert van 1795. Jan Maeijens was toen nog maar elf jaar.  Meester Roose “spelt” zijn leerlingen de les:

Dicteren

Pier en Maeijken, neemt u laejken (leitje) incktpot penne en papier

Om te saemen naer betaemen te dicteren met plijzier.

Leerd met jonsten deze konsten gij al die de penn’ hanteert,

Stelt u worden (woorden) al in orden dat er geen letter manqueert.

 

In dit tweede dictee leren we iets over de sinterklaasgebruiken omstreeks 1800

Sinterklaas Kapoentje   

Desen avond school gezellen

Moet gij al uw kloefken stellen

Om daer in t’ hebben wat fraeijs,

Al van Sinte nicolaes.

Dien heijligen opgetogen,

Komt de kaven in gevlogen;

Met zijn koekskens en buschuijt

Om het al te deelen uijt.

Hij zal deelen ottentoten,

Citoijens en patriotten;

Schaepkens, peirdekens of koe,

En aen zomige eene roe.

Van de Woestyne analyseert: “Sint-Niklaasdag is blijkbaar een oud kinderfeest. De heijligen opgetogen (Sinterklaas Kapoentje) moest iets leggen in hun kloefken, want schoentjes hadden de meeste Knesselaarse kindjes toen niet. De Sint kwam toen ook al door de schoorsteen, de kave, om lekkers uit te delen.

Van helpers die van het roet zwart werden, was nog geen sprake. Trouwens, Sinterklaas had daar helemaal geen last van, zijn kleren bleven proper en zijn baard wit. Hij bracht in 1795 nog geen speelgoed, alleen koekjes, beschuit en … de roe”.

Van hottentotten tot speculaas

Paul Van de Woestijne maakt via zijn toelichting de tekst een stuk toegankelijker: “De koekjes die de Sint uitdeelde, hadden de vorm van allerlei vreemde figuren.

Ottentoten zijn hottentoten, inboorlingen van Zuid-Afrika, verwant met de bosjesmannen, door de Hollanders vanaf de 17e eeuw zo genoemd omdat ze bij het dansen steeds hot, hot zongen.

Citoyens waren afbeeldingen van Franse burgers of misschien wel soldaten, zoals ze door de Knesselaarse bevolking gekend waren sedert de Franse bezetting.

Patriotten waren conservatieve katholieke burgers die tegen de hervormingen van de Oostenrijkse keizer Jozef II gekant geweest waren en aanvankelijk de Fransen verwelkomden. Hoe die uitgebeeld werden, daar hebben we het raden naar.

Speculatio

Andere koekjes die de bakkers (of de moeders?) bij die gelegenheid bakten, hadden de vorm van een dier: een schaapje, een paardje of een koe. Men noemde zo’n koekje speculatio, wat spiegel of beeld betekent, en in de volksmond verbasterde tot spekeloasje, speculaas, in het Brabants speculoos.6 Mettertijd verdwenen de hottentotten, citoyens en patriotten en bleef alleen de beeltenis van Sinterklaas over.

 

Bolling op school

Al die hier komen ter Schole, moeten zorgen voor een bolle

Gelukkig zijn, al is het maar voor jezelf.

Want het is om zoo te spreken vandaege en drij weken

Dag op dag en dat inclus heijligen Gregorius,

Den patroon al van de schoole, dag op welken gij zuld bollen

Om prijzen in t’ gemeijn, die ze wind zal bleijde zijn.

Elk zal hem zonder manqueren lustig moeten defenderen:

Dus iongheijd van mij bemind, zoekt een bolle daer gij me wind.

      Ook hier weer een interessante verduidelijking. “In het curriculum van meester Roose zit geen lichamelijke opvoeding, maar wel het bolspel. Dit moet de oudste vermelding zijn van krulbol in het Meetjesland. Het spel werd in Vlaanderen al in de 17e eeuw gespeeld en werd in juni 2010 erkend als Vlaams immaterieel erfgoed; Het wordt her en der nog gespeeld. Dit dictee werd gemaakt de laatste week van februari, drie weken voor de feestdag op 12 maart van Sint-Gregorius, de patroon van schol(ier)en. Op het schoolfeest in Knesselare bollen de leerlingen om prijzen. Het komt erop aan dat de leerlingen een goede bol vinden, waarmee ze kunnen winnen. Let ook op het (dialectische) verkorten van schole, dat moet rijmen met bolle.

Schoolfeest   

Een laatste voorbeeldje is deze tekst over het Schoolfeest, met ook in dit stukje een verwijzing naar het hier duidelijk populaire bolspel

Schoolfeest (10 maart 1801)

Al die hier komen ter Scholen moeten overmorgen bollen:

En die wind voor zijn loon, heeft eenen kerkeboek schoon.

Die den prijs heeft van t’ dicteren, die geef ik zonder manqueren

Voor hun loon al met plijzier vier-en-twintig blaers papier.

De prijs van om schoonst te schrijven en mag hier niet achter blijven.

Die hem heeft voor zijn loon, twaelf blaederen papier schoon.

Ik zal wel examineren zonder te dissimuleren:

Op uw schriften, slegt en wel, ook exact op bollespel.

In die dictees lezen we dat de leerlingen op 12 maart, feest van de h. Gregorius, bollen om prijzen. Dit dictee dateert van 10 maart, dat was in 1801 een dinsdag, de bolling is dus overmorgen, op Sint-Gregoriusdag. De beste boller krijgt een kerkboek. Er zijn ook andere prijzen. Met dit dictee krijgt de winnaar 24 bladen papier. Wie de prijs van schoonschrift wint, krijgt maar 12 bladen papier. De meester belooft eerlijk en correct te examineren, zonder te veinzen. Jan Maeijens vertelt er niet bij of hij in de prijzen viel. Ook hier is er binnenrijm en rijmt scholen op bollen.

Einde

Na het 33e dictee schrijft Jan Maeijens: Eijnd van dese dictaemen gedicteert door J.F. Roose.

Nog eens Paul Van de Woestyne over het “taaltje” van de meester: “Meester Roose heeft in zijn dictees natuurlijk geprobeerd een algemeen Nederlands te gebruiken, dat was toen de schrijftaal. Omdat hij vaak niet de juiste Nederlandse woorden vond en ook wel om zijn geleerdheid te tonen, gebruikt de Knesselaarse onderwijzer Franse bastaardwoorden, soms Latijnse woorden, soms dan toch dialectwoorden en –uitdrukkingen (brogten, busksken, grei, lavei, bolle, aexters, beir, sallae, erreweten en porije), en hier en daar “uit  rijmnood en rijmdrang” maakt hij zelf rijmwoorden, waarvan de betekenis, ik vermoed zelfs in zijn tijd, niet altijd duidelijk is/was (laeyken (leiken), onvermeten (onbeperkt), zonder mikken (?), versnoekt (verzadigd) en onvermijde (weldra).

Paul Van de Woestijne besluit: “Al met al zijn Roose’s dictees na meer dan 225 jaar nog vrij vlot te lezen en geven ze ons een inzicht in de geest van de onderwijzer en het schoolleven op het Meetjeslandse platteland.”

(1) Meester Roose had de gewoonte zijn knapste leerlingen naar Aalter te sturen om daar verder te studeren bij koster Louis Versele. Dat deed hij ook met de getalenteerde Jan Maeijens. Paul Van de Woestyne vermoedt dat Maeijens mogelijks ondermeester was in de school van Versele.
(2) Heemkundige Bijdragen uit het Meetjesland is een driemaandelijks tijdschrift dat aan zijn 40e jaargang toe is en leesbare historisch-heemkundige artikels publiceert over Meetjeslandse gemeenten en dorpen.  De Eeklose historicus Paul Van de Woestyne is de actiefste publicist in het blad, en komt soms verrassend uit de hoek. Zo ook in het jongste nummer met het artikel “De wijze lessen van meester Roose uit Knesselare”. (Foto Het Nieuwsblad)
Het tijdschrift bestaat sinds 1987 en werd opgericht als een soort opvolger of voortzetting van het populaire tijdschrift Ons Meetjeland. Een jaarabonnement kost 18 euro, te storten op BE14 8901 7418 8183.
In tegenstelling tot de voorganger Ons Meetjesland (waarvan de jaargangen grotendeels digitaal te downloaden zijn via MijnPlatteLand.com) zijn de Heemkundige Bijdragen uit het Meetjesland niet integraal digitaal raadpleegbaar op internet.
(3) De “loting”: jonge mannen worden door het trekken van een nummer aangewezen om hun militaire dienstplicht te vervullen. Wie een gunstig nummer trok, kon vrijgesteld worden; wie een ongunstig nummer trok, moest in dienst.

Ontdek meer van KnesselaarsNieuws

Abonneer je om de nieuwste berichten naar je e-mail te laten verzenden.

Geef een reactie