Gazettenpraat: Over bedelaars, landlopers, zigeuners en emigranten

Het lijkt veraf, maar het is amper een paar generaties geleden dat Knesselare nog een straatarm dorp was. In de negentiende eeuw werd de gemeente geplaagd door epidemieën (typhus en pokken), met tientallen doden. Tijdens de laatste echte hongersnood (jaren 1840) verdubbelde het aantal jaarlijkse overlijdens. Kerkelijke organisaties (Sint-Vincentiusgenootschap) en verenigingen (muziekvereniging en Strijdbroeders) deelden na festiviteiten nog brood uit aan den armen. Krantenartikels getuigen over sociale fenomenen die vandaag ondenkbaar zijn.

landloperSchooiers…

“Onder al de gemeenten wellicht geene die tot hiertoe en niet het minst den voorleden winter, door vreemde schooiers en landlopers werden bezocht en geplaagd dan de gemeente Knesselare. ’t Was hier de verzamelplaats van dat volkje niet enkel uit den omtrek, maar ook uit Brugge. Men kwam hier geregeld des morgends al vroeg toe, zwierf de gemeente af, en des avonds vergaderde men in eene herberg op Zeldonck, tusschen Knesselare en Oedelem. Daar werd de avond in drinken, rooken en zingen zeer lustig en vroolijk overgebracht. Men sliep hier of daar in eene schuur en ’s anderdaags ging men naar eene andere gemeente op bezoek”. (Gazette van Eecloo, 3 april 1888)

…en bedelaars

“Sedert zes maanden is de bedelarij op Knesselare verboden, edoch zulks belet niet dat de bedelaars hier menigvuldiger dan ooit rondzwerven. Maandag drongen er vier de hofstede binnen van Francies Wille, landbouwer in de Hoekestraat, die hen met beleefdheid ontving en die vier mannen in afwachting van eene aalmoes, met de jonge boerin alleen een praatje liet slaan. Het zij hier gezegd dat men in deze streek nogal wat lieftallige schooiers vindt. Eindelijk van wachten moede, gingen onze vier mannen naar den landbouwer op zoek; maar nauwelijks hadden zij eenige stappen op den boomgaerd gedaan of twee honden schoten naar hen toe. Den tijd niet hebbende om het hekken te openen, waren de bedelaars verplicht om aan het gevaar te ontsnappen, steeple chase over kant en haag te doen. Een hunner, zegt men, heeft als herinnering, een stuk van zijne broek in den muil van eenen der honden laten steken. Men ziet van hier den tableau. De uitlegging daarvan: als pratiek man heeft de heer Wille twee honden tegen de bedelaars afgericht. Van den historischen stoet, alhier binnen kort in Knesselare in te richten, zal dit voorval een van de aantrekkelijkste nummers uitmaken”. (Gazette van Eecloo, 28 augustus 1888)

Emigranten

“Zondag laatst zijn rond de zeventig inwoners onzer gemeente, waaronder vele kinder”en, vertrokken om naar Argentina een beter bestaan te gaan zoeken. Eeenigen hadden zich van in den vroegen morgend naar de statie van Aalter begeven, doch het grootste getal vertrok hier, per kamionwagen in den voormiddag. Het afscheid was zeer aandoenlijk. Vele vrouwen weenden en de omstaanders waren allen ontroerd. In de statie van Aalter konden de landverhuizers hunnen ontroering niet meer bedwingen: mannen, vrouwen en kinderen weenden dat het drukkelijk was om zien…Maandag zijn eenige dorpsgenooten naar Antwerpen gereisd om de stoomboot te zien vertrekken. Het prachtige vuurschip is 135 stappen lang. Eene ontzaglijke menigte volk was toegestroomd om de inscheping te zien. De toeschouwers wuifden met hoeden en zakdoeken, de landverhuizers riep een een laatste vaarwel. Goede reis landgenooten; moget gij ongedeerd in uw nieuw vaderland aanlanden en ginder alle geluk en welstand genieten”. (Fondsenblad, 14 januari 1889)

Zigeuners

“Gistermorgend was geheel de gemeente te been. Eene karavaan Zigeuners of Bulgaren trok door dit dorp. Die rare menschen kwamen van Brugge en trokken naar Gent op. De karavaan bestond uit negen wagens, meestal bespannen met drie arabische paarden, en uit omtrent zesteig manne, vrouwen en kinderen, al bijzonder schoon en kloek volk. Een oud man, met een lederen gordel rond het lijf, scheen het hoofd van de bende te zijn, want hij alleen kocht hier brood en kaas voor zijn volk en betaalde alles. Daarbij werd opgemerkt dat zijn gordel vol stak met gouden en zilveren geld.”

Voedseldiefstal

“De dieven hebben donderdag nacht hunne ronde gedaan in de Kloosterstraat. Ten nadeele der gezusters Van hooreweghe werden zeven schoone konijnen en groensels gestolen; ook werden groensels meegenomen uit de lochtingen van P. Van Severen, D. Van de Velde en de kinderen Van de Kerckhove. Het is te hopen dat men toch eens de hand zal leggen op de gemeente schurken”. (Fondsenblad, 2 december 1888)

“Een jonge landbouwer, Alfons De Vos, heeft donderdagnacht eene schoone vangst gedaan. Hij betrapte op zijn hof eenen jongen dief, volop bezig met eieren te stelen. De Vos hield den guit aan en sloot hem tot ’t morgens in zijnen aardappelkelder. Van daar werd hij vrijdag door den veldwachter naar het gemeentehuis gebracht”. (Fondsenblad, 26 juli 1891)

“De gewone dieven zijn hier, gelijk alle jaren rond dezen tijd, weder uitgekomen; voorleden nacht hebben zij een bezoek gebracht aen den kelder van den landbouwer Temmerman. Deze is er van af geweest met een dozijn kilos boter en smout. De policie is op zoek naar de daders” (Gazette van Eecloo, 4 december 1896)

“In den nacht van 12 op 13 december deden de gendarmen van Aalter onderzoek op een marktschip dat naar Gent vaarde. Daar er in de vorige nachten in den omtrek hennen gestolen waren… Binnen kort zullen nog een aantal zaken van diefstallen en verheling van Knesselare voor de rechtbank komen. Er zijn in de gemeente in den laatsten tijd inderdaad zooveel strooperijen gepleegd dat men zou denken dat er een bende van Baekelandt of Jan de Lichte nestelt. Onlangs werd op den Dries een geslacht varken uit de kuip gestolen; bij eenen landbouwer werd gedorschen haver ontvreemd; onvertijd ontdekte men gestolen hennen in Eentveld. Verleden week poogde men in te breken bij eenen landbouwer aan de Kapelle; over eenige dagen werd een varken uit zijn hok gehaald bij De Bruyne”. (Gazette van Eeclo, 13 december 1896)