Flabbaert rammelt met zijn ketens (leesvoer, tussen werkelijkheid en fictie, deel 1 van 2)

 

Leesvoer voor in ’t zonneke … Over de Knesselaarse waterduivel Flabbaert hadden we het hier al eerder, maar dan vooral in artikels waar de oude sage of de naam Flabbaert zijdelings ter sprake kwam. In twee delen gaan we op zoek naar de roots van het verhaal en hoe het anderhalve eeuw lang toch overleefde.

In onderstaand stuk, het eerste deel, geven we zo exact mogelijk de bronnen mee van een ingewikkeld verhaal, dat gekoppeld werd aan een beek die een heel eind langs de grens tussen Beernem en Knesselare (en de beide Vlaamse provincies) loopt. Waar is het ontstaan? Vanwaar de verwarring in de naam? Vanwaar de verwarring over het verhaal zelf?

Eerste vermelding

1840: De eerste historisch controleerbare vermelding lijkt die in de eerste jaargang van het het Gentse Kunst- en Letterblad. Daarin schreef P.F. Van Kerkhoven een aantal sagen. Andere medewerkers van het blad waren de meer bekende auteurs Jan Frans Willems en Prudens Van Duyse. Maar in de tekst is er sprake van Klakkaert, “de geest van eenen dier Fransche edele onderdrukkers die in het ronduitjen, onder vlaemsche Goedendags, den laetsten snik gaven”. Ah zo, Klakkaert was een Franse edelman die sneuvelde bij de Guldensporenslag in 1302?

Klakkaert met zijn ketens te Kortrijk (1840)

Wolfs Sagenboek

In 1843 geeft Johann Wilhelm Wolf zijn Niederländische Sagen uit. Hierin wordt de Flabbaertsage vermeld (met Flabbaert als een soort watergeest), maar dan wel in Kerselaere. Het kan om een schrijffout gaan, gemaakt bij het ter plaatse noteren van oude verhalen, maar het kan ook om Kerselare gaan. Kerselare is een gehucht in Edelare, deelgemeente van Oudenaarde. Kerselare geniet in de omgeving enige bekendheid als bedevaartsoord. Om het nu helemaal onduidelijk te maken: daar wonen vandaag nog veel mensen met de naam … Slabbaert

 

Vertaling: Een aantal jonge kerels kwam van de kermis in Kerselaere en wou naar huis. Eén van hen, de broer van de pastoor, een onbehouwen mens, begon onderweg te vloeken en te schelden, in het bijzonder op Flabbaert, een rode geest, die in de buurt rondspookte. Een tijdje lang ging dat probleemloos; uiteindelijk werd Flabbaert het beu en greep de kerel in zijn nekvel, doopte hem een paar keer onder in het water en smeet hem dan zo hard op de grond dat al de ribben in zijn lijf kraakten. Toen dat de pastoor ’s anderendaags ter ore kwam, had hij helemaal geen medelijden met zijn broer, hij zei daarentegen dat hij zijn verdiende loon had gekregen; toch verbande hij de geest voor 100 jaar lang naar de oevers van de rode zee.

Flabbaert, Slabbaert, Klakkaert?

Misschien is het goed om toch even bij die naamsproblematiek stil te staan. Hierboven is al sprake van Klakkaert (in het Kortrijkse), bij Wolf gaat het om Flabbaert (in het Oudenaardse), en dichterbij, in het West-Vlaamse spraken en spreken ze van de watergeest Slabbaert… Hoe zit het nu?

Interessant is zeker het nieuwe element dat de auteur Ronny Debbaut toevoegt aan dit debat. Hij neemt ons in een artikel in Erfgoed Aalter (2019,3) mee naar een proces dat gevoerd werd in .. 1617. We gaan met hem 400 jaar terug in de tijd, in dit geval dus met echte historie, gepuurd uit oude bronnen. Hieronder een samenvatting van zijn verhaal

Madaleene Hillebrant, de 20-jarige dochter van de Knesselaarse herbergier Pieter Hillebrant krijgt bezoek van enkele jonge mannen, die haar het hof maken: de vrienden Hans De Snuckele en  Lieven Slabbaert. Op 7 mei 1617 treffen ze bij Madaleene een andere jongeman op vrijersvoeten, Andries Dieraert. Lieven had nog een appeltje te schillen met Andries. Op de avond van 1 mei had Lieven immers den mey ghegheven aan Madaleene, die hem wou bedanken met eieren door het venster naar hem te gooien, maar toen kwam Andries zich voor het venster wringen om die eieren te ontvangen. Hans kon Lieven toen nog overtuigen om zich koest te houden en te wachten op een betere gelegenheid om zijn gram te halen. Op diezelfde 7de mei, treffen de vrijlustige jongemannen mekaar dus weer en zit het er meteen bovenarms op. Eerst vallen harde woorden, daarna ontstaat er een handgemeen. Lieven meent ter verdediging zijn klauwstok (een soort polsstok, om over sloten te springen) op de borst van Andries te moeten zetten, maar die bukt zich net op dat ogenblik en wordt zo ongelukkiglijk dodelijk in het hoofd geraakt. Op 19 mei houden burgemeester en schepenen van het ‘Land van de Woestijne’ een uitgebreid getuigenverhoor. Een verslag van het proces over de doodslag (een ongeluk eigenlijk) bleef bewaard in het archief van de Oudburg (Gent)

En hier stelt auteur Ronny Debbaut een interessante vraag: werd de naam Slabbaert (Flabbaert) in de streek na die ‘doodslag’ blijvend geassocieerd met wreedheden en is de naam Slabbaert zich in de volksverhalen gaan hechten aan de watergeest of waterduivel bij de duiker in de Zwartegatbeek? Het is een mooie veronderstelling. Met een waterduivel uit de oude volksverhalen waarvan de oorsprong en datering moeilijk te achterhalen zijn, heeft het evenwel weinig te maken. Maar de affaire is een historisch feit, en dat is een paar eeuwen ouder dan de eerste schriftelijke vermeldingen van de oude sage van de watergeest of waterduivel

Familienaam

Een indicatie over het voorkomen van die namen Klakkaert, Slabbaert, Flabbaert, is te vinden in de stamboomsite Geneanet (met het nodige voorbehoud en bij benadering). Via de zoekrobot van die site is de familienaam Klakkaert helemaal niét te vinden. De naam Flabbaert komt wél tienmaal voor, maar dan alleen in de late jaren 1700 en dan nog in Noord-Frankrijk. De naam Slabbaert daarentegen komt vaak voor, als in de middeleeuwen, en is met 2341 vermeldingen van naamdragers opvallend vaak aanwezig. Dit is geen bewijs, maar wel een indicatie dat de Flabbaertverhalen best wel een overname zouden kunnen zijn van oudere Slabbaertverhalen.

De eerste schriftelijke vermelding van de combinatie van de naam Flabbaert en de gemeente Knesselare komt voor bij Frans De Potter en Jan Broeckaert, twee publicisten die in de tweede helft van de jaren 1800 het idee hadden om van alle Vlaamse gemeenten een historiek te schrijven.

Frans De Potter en Jan Broeckaert (ca 1870)

De Potter (zie foto) en Broeckaert schreven in de jaren1868-1870 in hun Geschiedenis van de gemeenten van Oost-Vlaanderen (1868-1870) in het hoofdstuk Knesselare (blz. 37-38) al over “Flabbaart”. Al bij al gaat het om een korte vermelding (zie hierboven). Kan hier de verwarring ontstaan zijn, omdat de auteurs de sage situeerden in Knesselare. Of was Wolf dertig jaar eerder fout en situeerde hij een sage uit Knesselare foutief in Kerselare? Fijne puzzel …

We vermoeden, tot het tegendeel is bewezen, dat het laatste het geval was. Belangrijkste argument: de sage over de waterduivel Flabbaert is niet in Kerselare, maar wel in de grensstreek tussen Oost- en West-Vlaanderen bekend (Osschaert, Klakkaert, Slabbaert, Flabbaert etc…)

 

 

Latere sporen

De stoeten (1887)

Het blijft dus wat gissen, maar met zekerheid mag worden aangenomen dat de sage van Flabbaert tegen het einde van de 19de eeuw alleen nog in Knesselare bijzonder goed was gekend en tot de volkscultuur was gaan behoren. In de historische stoet van 1887 was onder het nummer 11 ook de volgende groep : ‘”De vermaarde Knesselaarsche Spooken van den ouden tijd, Flabbaert, het Ieyerlinck-spook, de Weerwolf, de Hellewagens enz…” (zie knipsel hieronder, beslist een interessante bron over het folkloreleven in Knesselare)

Maar nu nog even terug in de tijd:

’t Getrouwe Maldeghem (1900-1901)

Een merkwaardig verhaaltje (‘Boven de buis verscheen Flabbaert’) verscheen op 16 september 1900 in het Maldegemse blad ’t Getrouwe Maldeghem. Het werd geschreven door de Knesselaarse medewerker Octaaf De Waele, die later naar Brussel is verhuisd. Interessant is zeker de vermelding van het houten beeldje van Flabbaert dat in de Knesselaarse herberg In de Bonte Koe op het kaartenrek stond. De tekst werd ook gepubliceerd in Duimpjes Almanak (1901), zie verderop.

Wie was die Octaaf De Waele? Interessant: een Knesselaarse “plaatsenaar”, zoals blijkt uit volgende. Hier was hij onder meer lid van de Vlaamse Strijdbroeders (lees hier meer over die vereniging)  Even was hij hier ook hulponderwijzer. Hij was medewerker van het blad ‘t Getrouwe Maldeghem. De man ging uiteindelijk in Brussel wonen. Bij het overlijden van de jonge vrouw (41) van Octaaf De Waele schrijft Victor De Lille, uitgever van ’t Getrouwe in zijn blad: “De vrouw van onzen goeden vriend heer Octaaf De Waele van Knesselare, nu te Brussel, is overleden in den ouderdom van 41 jaren latende hem achter met vier kinderen. Zij was ook van Knesselare: Hermina Maria Mathilde, dochter van wijlen Charles Hooft, den bekwamen schrijnwerker, en hij (Octaaf) is de zoon uit de Bonte Koe, lokaal der Strijdbroeders, waar wij in den tijd gingen ons vertellingen gingen lezen en bij beloonde het ons met medewerker te blijven tot heden aan ’t Getrouwe. Octaaf, man, ’t geloof alleen kan u helpen en als de mede droefheid van uwe vrienden u kan troosten, ge hebt er vele.” (’t Getrouwe Maldeghem, 28 april 1912)

Mysterie

De lange Flabbaert-tekst van De Waele (zie foto) is om meerdere redenen interessant. Hij vermeldt er onder meer het bestaan van een beeldje, dat in het café ‘In de Bonte Koe’ op dat moment werd bewaard en een daarbij horend kaartenrek waarop volgende tekst: “Jos Klipe, geboren te Lokai, 1302, het kaartspel uitgevonden hebbende den tijde dat Flabaert leefde”. Wie is die Jos Klipe? Waar ligt Lokai? Hoe komt De Waele (ODW) erbij dat te vermelden? Zijn verwijzing naar 1302 kan geïnspireerd zijn op de hierboven vermelde Kortrijkse verhalen over… Klakkaard.

Merkwaardig is dat De Waele de zaak wel omkeert. Flabbaert is hier geen Franse edelman meer, maar een soort medewerker van de Vlamingen, die “Fransche windmakers bij hunnen benen in de Klakkaertsbeke gesnokt heeft op den roemrijken 11 Juli 1302”… (lees het verhaal van De Waele hieronder). Werd de Klakkaertsbeek in Kortrijk zo de Flabbaertbeek in het Knesselaarse? (links op de eerste pagina hieronder een verhaaltje dat mogelijks enige lezers in het harnas zal jagen…, maar dit terzijde)

t Getrouwe iets later (1911)

In 1911 verschenen nog een aantal vertelsels in ’t Getrouwe Maldegem. We geven ze integraal, al zijn ze weinig samenhangend, en moeilijk te interpreteren:

“’t Is Beerke Dauwels die vertelt. Met dat geval van die vijf maanden voor dien valschen eed, ’t was algeijk nen sterken tegen wien hij het te doen had. ’t Is de schoonste hofstee van Knesselare, en daar is ‘t da Flabbaert verkeerde. Jan den Héze heeft hem dikwijls op zijnen rug moeten dragen. Flabbaert was een hond en Osschaert een peerd.

… Er gebeurde dikwijls als ze ’s avonds moe en tenden geploegd waren dat ze  anderendaags moesten herdoen omdat Osschaert alles weer hard gemaakt had. Maar dan begonnen ze met eerst een krutse over het stuk te ploegen en dan kon Osschaert er niets meer aandoen. Osschaert resideerde meest in de Kleitsche meerschen en langs de Dee. ’t Was op den Briel dat Osschaerts dweers over het water en hij lag’er boven op.

… En ’t gebeurde dat de bezembinders in ’t Princeveld zaten te rusten van de vrecht met hunne bonden wiemen, en dat Pee daar kwam in de gedaante van nen hond. Pee dat was Flabbaert, en Jan den Haze, dat was nen dullen vent. Dat Pee durft komen, zei hij, ik zal hem eens mijnen eekenen rond zijn ribben leggen. En Pee kwam het af, en Jan sloeg hem dat hij kuchtte, maar hebben ze het mogen betalen? Jaas. Als ze moe en t’enden gegaan waren en dat ze meenden dat ze al lange thuis moesten geweest zijn, stonden ze daar aan ’t Wisken tusschen Kaprijke en Sente Laureins.” (’t GM, 16 juli 1911)

Tot Tweede Wereldoorlog

Nadien duurt het een tijdje tot het verhaaltje weer onder de aandacht komt. Tot de periode van de Tweede Wereldoorlog. Dan blaast een jonge generatie onderwijzers-vertellers samen met wat andere “artistieke” mensen (beeldende kunst, muziek…) de traditie en de folklore van Knesselare weer nieuw leven in. In den beginnen via de Knesselaarse heemkring, die evenwel niet zo lang bestaat. De stoetentraditie bleef bewaard tot diep in de jaren 1900 en de Flabbaert- en Uilenspiegelverhalen zetten zich door in namen van verenigingen en plaatsen, in publicaties, in monumentjes, in de schoolcultuur, in het werk van lokale schilders, etc… Tot einde de jaren 1900 werden de Knesselaarse sagen en tradities gekoesterd. In deze eeuw gebeurt het nog zelden. Maar tradities zijn taai.

Binnen afzienbare tijd volgt hier deel 2 van dit artikel (vanaf 1940)

 

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s