Van coloradokevers, ‘stuutjes en kerremelk’, ’t zwijntje en ‘de zende’ (afl. 2 en 3)

jp-d-n De eerste tractor in Knesselare zou een Verguson (benzine) zijn geweest, op het hof van Emiel Lataire (1946). Het duurde niet lang of allerlei machines reden pikkers en binders van het veld. Je zag ze nog enkel op avondmarkten en feesten. De landbouw en de voedselweg gingen er anders uitzien. Terug naar de patattenoogst en de coloradokever, de melkboer en de karnemelk, de zwijntjes en de ‘zende’… Een tweede aflevering uit de reeks van Jean De Neve. Met prentjes uit het archief van KnesselaarsNieuws…“Onlangs zag ik een documentaire over Afrika. Afrikaanse vrouwen waren maniok aan het pletten.Het ritme waarmee ze de houten stamper in de pot lieten  neerkomen deed  me terugdenken aan het dorsen  met de vlegel .Als  kind heb ik vader mijn oom en een  buur doende gezien: gestaag om beurten  lieten ze hun vlegel  op het stro neerploffen  zodat  het stro zijn graan prijs moet  geven.Het ritmisch neerploffen van de vlegels klonk als muziek in de oren. Hun  hemden met zweet doordrongen beletten hen niet het  ritme  aan te  houden. Het leek of ze in trance waren.Maar de dorsmachine verscheen op het toneel.

dorsmachineVol verbazing en ontzag keek ik naar de tractor, de dorser achter zich meetrekkend .Puffend en grote  rookpluimen  achterlatend, baande hij zich een weg naar  de plaats waar de schelven stonden. De  moderne tijd  deed  zijn  intrede. Voor  het  eerst werd er  over  paardenkracht  van  een machine  gesproken. Allerhande  taferelen speelden door mijn hoofd. Ik kon het niet vatten:paardenkracht in een machine!

Eenmaal het gevaarte gestart, steeg met de minuut het ontzag voor de machine, maar de kletterende aandrijfriem boezemde me een zekere vrees in. Onze koe “‘Belle”, daar kon je mee praten. Steeds keek ze me aan met haar droevige blik. In wintertijd, wanneer het koud was, legde ik mijn hoofd tegen haar zijde en ze  gaf me warmte. De geur van verse melk was nooit ver weg. Daarentegen, die  machines verspreiden een enorm geluid en de walm was onaangenaam. Had met de  techniek de vervuiling haar intrede gedaan?

Op  de  foto is te merken  dat ondank alles er  nog veel  mankracht  vereist  was. Hier was  mijn taak de mannen van drank  voorzien .Het werken met de dorser was niet zonder gevaar. Zo is een vriend van mijn schoonvader als jongeling zijn arm afgerukt. Het gebeurde toen een riem van het vliegwiel dreigde te lopen. Hhij wilde de riem terug  op haar plaats duwen met de  steel van  een  hooivork, maar werd gegrepen. Ook in mijn straat woonde een man die door de machine gegrepen werd. Zijn been werd deels verbrijzeld. Voor de rest van zijn dagen kon hij het niet meer plooien.

Wat  braakte  die  machine naast het graan nog uit: stro, kaf en zaaikruid. Een lekkernij  voor  onze vogels. Het kaf werd gebruikt om de kafzak op te vullen. Die kwam op het bed als een niet zo comfortabele slaapmatras.

De  schelven zijn  verdwenen. Alle  dieren die er “logies” vonden, moesten andere oorden opzoeken. Tenslotte bracht een volgeladen wagen het graan naar de maalderij om er later weer te vertrekken met meel of bloem.(Foto: Voerman Jozef Almey in de Kloosterstraat voor de woning van Marcel D’ Hondt)

 

 

 

 

 

 

De  bakkers kneedden geduldig de bloem, meestal in nachtelijke uren, tot de desem klaar was voor de bakte van ons dagelijks brood. Bemerk op de foto de desem naast de weegschaal. De bakker kneedde alles tot de juiste vorm, en met het juiste gewicht. Het was werkelijk zwoegen voor ons dagelijks brood. (Foto: bakker Omer Stock en zijn vrouw Margriet Bultynck, begin jaren 1960)

 

 

 

 

12-11-george-stock-op-broodronde-met-triporteur-en-hondHet was nog de tijd dat de bakker het brood thuis bracht bij zijn klanten. Vaak gebeurde dit met kar en hond of paard, met de ‘triporteur‘ (bakfiets). Vooral tijdens barre winterdagen was het met de toen nog primitievere wegen een hels karwei.

Bij veelvuldige sneeuwval werd de broodronde deels te voet gedaan. Sneeuwruimers en strooiwagens zag je toen nog niet in het dorp. Soms namen de bakkers de tijd om bij een of andere goede kennis op ‘de ronde‘ de handen te warmen of wat tijd nemen voor een koffie of een ‘klare’.

Ik heb het als kleine jongen alvast meermaals meegemaakt dat tijdens de wintermaanden ons huis een huis van verpozen was. Men had daar toen nog de tijd en de goesting voor…” (Foto: Georges Stock en zijn ‘triporteur’)

 

Jean De Neve  (wordt vervolgd)

Onze voeding

Ook de aardappel was “ons dagelijks brood”. Iedereen moest daar mee voor zorgen. Ik herinner me hoe we destijds door de coloradokever werden geplaagd. De kever met zijn geel-zwart gestreepte vleugelschelpen. Eenmaal die op de aardappelplanten was neergestreken werden de velden kaalgevreten tot er enkel een troosteloze stengel overbleef. Wilde men de aardappeloogst niet verloren laten gaan, moest de kever dringend bestreden en vernietigd worden. Dus werd er vanop het balkon van het gemeentehuis door de veldwachter verkondigd dat de kever door de boeren moest bestreden worden. Hij voegde eraan toe dat er controle zou worden gedaan (ik denk dat niet  bestrijding strafbaar was).

Terug werden wij, kinderen, ingeschakeld. Ik denk dat het 1950 was. Gewapend met een blikken doos moesten we kevers en larven van de planten plukken en die in de doos deponeren. De larven waren rozerood met zwarte stippen. Het goedje verspreidde een typische geur. Wat we verzameld hadden – en dat was heus niet weinig – werd verbrand. De van Amerika afkomstige kever is voor zover ik weet totaal verdwenen mede door toedoen door het gebruik van sproeistoffen.

zichten-knesselare-366Als kind verheugde ik me steeds op het einde van de aardappeloogst. Want iedereen die bij het rooien van de aardappels betrokken was, werd uitgenodigd op een koekenbak. Dan werden door moeder en vader koeken gebakken op de Leuvense stoof. Het was een gezellige bedoening. De laatste nieuwsjes van het dorp  werden besproken (of was het een beetje roddelen?).

De aardappelen werden bewaard in kuilen in de aarde, dicht bij de hoeve. Deze kuilen werden afgedekt met stro, daarbovenop een dikke laag aarde. Hier en daar werd er een verluchtingsgat  gelaten. Dit om zuurstof toe te laten om verhitting en verrotting tegen te gaan. Bij vriesweer werden die openingen met stro afgesloten tegen de vorst. Dit ganse gedoe was handenarbeid. In feite waren die aardappelkuilen de voorlopers van de huidige maïskuilen.

 

 

Melk…

Er was brood en er waren aardappelen, maar ook melkproducten ontbraken niet. Bij ons thuis werd er gekarnd. De melkkan werd bovenaan voorzien van een houten deksel. In het midden was er een gat waar een soort bezemsteel in paste. Onderaan de stok bevond zich een rond stuk hout met enkele gaten. De stok werd op en neer bewogen tot de room veranderde in boter. Wat overbleef was karnemelk. Deze bewerking duurde gemakkelijk 45 tot 60 minuten. Meermaals heb ik moeder doende gezien. Soms vroeg ze mij even over te nemen om haar armen wat te laten rusten.

De mensen op het dorp werden bediend door de melkboer. Op de foto hierboven zien we de melkboer met kar en melkton. Vooraan melkkannen en de maatbekers om de klanten te bedienen. De kar getrokken door een prachtige schimmel. De flessen wijzen er op dat we reeds in een latere periode zitten. Ik meen zelfs chocolademelk te herkennen vooraan de kar.

 

Op een ander beeld zien we in een latere periode het ophalen van de melk op de boerderij. Deze dagverse melk werd naar de melkerij in Oedelem gebracht.  Koelinstallaties waren er op de boerenhoeve toen nog niet. De boeren werden vergoed voor de geleverde melk, soms was daar ook melkerijboter bij. Wie dat wou, kon het zelf karnen dus achterwege laten.

 

 

 

 

 

 

 

Oktober slachtmaand

Op de foto zien we een familie trots poseren bij een geslacht varken. Een indrukwekkend exemplaar. Voor mij was dit gebeuren een ware belevenis. Door een kier in de deur volgde ik hoe vader en de ‘slachter’ het varken naar een hoek van het hok dreven. Om daar een stevige koord aan de achterpoot van het dier te bevestigen. De geur van de vreemdeling maakte het varken wantrouwig. Je zag het zo denken: hier klopt iets niet. Het dier kalm houden was vooral belangrijk voor het  goede verloop van de slachting. Eenmaal die eerste handeling tot een goed einde gebracht, werd het varken naar de slachtplaats geleid. Ook dat verliep niet altijd van een leien dakje.

vaart-overzet-2Eenmaal op de juiste plaats werd op teken van de slachter het varken neergetrokken en volgde de dodelijke messteek. Pas later werd het verboden te slachten zonder het varken eerst te verdoven. Men gaf het dier met de houten hamer een serieuze tik op de kop. Later werd die hamer vervangen door een krulbol, op een steel bevestigd. Dit  was  het moment waarop mijn hartslag de hoogte in ging.

Niettegenstaande de bloederige  bedoening, bleef het mij fascineren. Ik keek met ontzag naar de slachter. In mijn kinderogen was deze man van niks bang.

Vooraleer het dier de geest gaf, had het reeds meerdere doodskreten ten gehore gebracht. Het was de kunst van een goede slachter om het dier zoveel mogelijk bloed te laten verliezen. Om dit doel snel te bereiken werd in de laatste stervensfase een pompende beweging gemaakt met een van de voorpoten. Af en toe kwam er nog een gulp bloed tevoorschijn. Ondertussen werd in het bloed geroerd om stolling tegen te gaan. Vervolgens werden beschuiten aan het bloed toegevoegd. Nu werd het varken op stro gelegd en gebrand met stro tot alle beharing was verdwenen. Eenmaal dat achter de rug werd de huid van het varken geschraapt tot deze kraaknet was.

Onze slachter destijds had van een platte conservendoos voor vis een schraper gemaakt. Met een nagel had hij dicht bij elkaar gaten geslagen, gevolg puntige bramen aan de onderzijde van de doos. Aan de binnenkant had hij een houten stok als handvat bevestigd en klaar was kees, goedkoop en zeer efficiënt.

Tijdens de schraapbeurt kreeg ik als kleine knaap de taak regelmatig water te gieten op de geschraapte huid, zodanig dat het schraapvuil wegspoelde en de slachter kon zien of zijn werk ok was. Wanneer de helft afgewerkt was, werd het dier omgedraaid zodat het op de ladder terecht kwam welke ondertussen naast het varken was geschoven.

De eindafwerking van het schrapen gebeurde met een mes. Nu zei de slachter, mij aankijkend: “We gaan zijn schoenen afdoen!”. In een draaiende beweging verwijderde hij een voor een de hoornlaag van de tenen van het varken. Deze hoorntjes hadden de vorm van de cuberdons (neusjes, snoepen). Wij als kinderen vonden het leuk deze op onze neus te plaatsen, die typische geur van de verbrande hoornhuid is me steeds bijgebleven.

Elke stiel heeft zijn kampioen. Eric De Loof kende zijn job als geen ander

Maar veel tijd om te spelen was er niet. Op de ladder was er horizontaal een stevige houten stok aangebracht en ook waren er reeds vleeshaken in de achterpoten van het varken aangebracht. De haken werden aangeprikt aan de dwarsstok en zo werd het ganse gevaarte door enkele mannen rechtop gezet tegen een muur (soms werd een oude deur gebruikt om het aan op te hangen).

Het varken werd opengesneden. Alles wat zich erin bevond werd verwijderd. Bijna niets ging verloren. Vette darmen werden gekuist, gebakken met een ‘geutje’ azijn en opgegeten. Ik vond de geur afschuwelijk en toch waren er mensen welke dit een lekkernij vonden.

Mijn oom kon als de beste hoofdvlees maken. Ik had nu de taak het fornuis brandende te houden, want de ingrediënten voor het hoofdvlees moesten gaar gekookt worden, te beginnen met de kop van het varken. Wanneer de tijd rijp was, werd het vlees van de kop verwijderd en alles wat in het hoofdvlees terecht kwam fijngestampt met een spade, speciaal vervaardigd om kopvlees te ‘stekken’. Nonkel voegde peper, zout en muskaat aan het goedje toe, proefde regelmatig, tot hij vond dat alles op smaak was. Iedere aanwezige nam een proefje warme ‘hoofdvlakke’ (kopvlees) op een ‘grove stuude’ (boterham). Nonkel sloeg de proevers gade en was fier als een gieter als hij geprezen werd voor het lekkere product dat hij had afgeleverd.

Later moest ook nog het vet gesmolten worden tot smout. Wat over bleef werd ‘kaantjes’ genoemd. Vogels waren er verlekkerd op, vooral merels en spreeuwen. Het werd dan ook regelmatig gevoederd aan de lokvogels van de spreeuwenvangers van destijds.

Er was nog werk in overvloed. Dus ’s anderdaags werd er zeer vroeg in de morgen gestart met het versnijden en pekelen van het varken. Dit was een zeer delicaat werk dat kennis en vakmanschap vereiste. Ook ik als kleine jongen was vroeg uit de veren en wilde niets van het gebeuren missen. Ik was de man die regelmatig aan de vleesmolen mocht draaien om de worsten te draaien. De bloedworst was werk voor de slachter. Het koken ervan was terug werk voor nonkel Herman.

Zending

Wanneer later op de dag het ganse karwei geklaard was, was ook de fles met ‘klare’ gedeeltelijk ‘soldaat gemaakt’. Dan werd er naar de buren gegaan met een ‘zending’. Een ‘zending’ was in feite een geschenk en bestond uit wat worst, bloedworst, enkele carbonaden en soms wat keelstuk. Als dank voor het goede buurmanschap.

De slachtdag was een hoogtepunt in mijn kinderleven. Het was sensationeel, opwindend en er kwam veel volk over de vloer. En ik mocht mijn rol spelen in het geheel. Een herinnering die je nooit vergeet.

Jean De Neve (wordt vervolgd)