Is de meester een dronkaard?

 

De schoolpoorten gaan sinds vorige week weer open en dicht. Scientia potentia est. Leren is macht. Aan het gejoel te horen als na een dag de schoolbel rinkelt hebben schoolkinderen het leven lief. En in de meeste gevallen hebben ze geen pak slaag gehad en meestal iets geleerd. Dat was vroeger wel eens anders. We gaan even terug in de tijd. Naar het onderwijs van onze (voor)ouders. Wat weten we daar eigenlijk nog over?

Over het Knesselaars onderwijs in de Middeleeuwen (500-1500) weten we zo goed als niets. Het stelde ook weinig voor. De boerenzoon leerde zijn stiel door op het veld te werken of door koeien of schapen te hoeden. De zoon van de ambachtsman ging bij een meester in de les.

Pas laat in de Nieuwe Tijd (1500-1800) ging de overheid zich “een beetje” bemoeien met lager onderwijs. Die overheid, dat waren de Spanjaarden (tot 1713), de Oostenrijkers (1713-1795), de Fransen (1795-1815) en de Hollanders (1815-1830). Zelfs tot een eind in de jaren 1800 was het onderwijs een vrij marginaal gegeven.

Velen gingen ’ter schole om te leren”, maar dat was naar de normen van vandaag met weinig overtuiging. In de Vlaamse dorpen werden de “lessen” gegeven door kosters en parochiegeestelijken. Vaak bij hen thuis of in kleine parochieschooltjes. Doorgaans vooral in de wintermaanden. En in de meeste gevallen waren ze zelf ongeschoold en het programma was beperkt tot  wat lezen, schijven, cijferen en veel godsdienst. Kosters waren vaak niet meer dan jeugdopvoeders.

Ets van Adriaen van Ostade – Schoolmeester met drie leerlingen bij tafel (1671–1679).

Onderzoek van onder meer akten en testamenten leert dat begin de jaren 1700 maar ca 30 procent van de passanten de eigen naam konden schrijven. Op het einde van die eeuw was dat 50-60 procent.

Zeldzame bevragingen geven ons een beetje inzicht op de situatie toen. In een bevraging van 1695 werd genoteerd dat de “meester” 13 jaar oud was … De minimale controle van dekens die de parochies bezochten stelde onder meer nog de vraag “Is hij veel of weinig afwezig? Is hij een dronkaard of oefent hij zijn beroep trouwvol uit” …

In Knesselare was het kosterschap zeer lang in handen van de familie Maeyens (1630 tot na 1800). Zij kregen bij inspectie een goed rapport. Kinderen leerden bij hen wat lezen, schrijven en rekenen. In veel gezinnen bleven de kinderen analfabeet.

Opvoeden

De opvoedingsmethode was Spartaans tegen herrieschoppers en tegen plaaggeesten werd kwistig omgesprongen met ‘plak en roede”. Domoren en luilakken kregen tot spot van hun makkers de ezelskop opgezet. Toch bleven de ambities vrij beperkt: elementaire rekensommetjes, speloefeningen en “goede manier leren”. Leerrijk zijn ook een aantal documenten over zedelijkheid en over orde en tucht (uit het Maldegems archief, 1713):

Over het waakzaam zijn van meesters en meesteressen over goed gedrag en zeden (en in het taaltje van toen: “principalyck by avonde ende nachte, dat hunne scholieren onder elckanderen geene dertelheyd en ongheschiktheydt en bedryven”. .. “Overzulcks zullen de schoolmeesters exemplairelyck vermyden van vloecken, sweiren, onkuysssche ende ontuchtige woorden te spreken”. Vult u dat zelf maar in. (*)

Over tucht en orde: “De kinderen in bedwange ende stilligheyt houden” en ze “op sondaeghen ende heylighdaeghen geen occasie geven te gaen spelen; zo wordt stricktelyck verboden te kaetsen, spelen, bollen ofte rollen op de straeten, in de herbergen en elders, ten tyde van de catechismus”… Meesters sullen de scholieren straffelyck verbieden te vloeken, sweiren, onsuyvere woorden spreken, vuyle liedekens, refereyen, ende dobbelen, het kaertspel,  ende andere spelen van hasaert, verboden bij syne Majesteyts placcaten… ook het swemmen als wesende schandaleus ende periculeus.”

Leerplicht

De Oostenrijkers voerden in 1774 een vorm van algemene leerplicht in voor het basisonderwijs, maar lieten het in de praktijk in handen van lokale overheden en geestelijken.

Een dorpsschool in de Nederlanden in de 17de eeuw – Ets, ca. 1671–1679

De Fransen

Na de Oostenrijkers kwamen de Fransen. De “revolutionairen” zorgden voor een ommekeer. Kerkelijke bezittingen werden aangeslagen, kloosterordes en godsdienst werden verboden, pastoors verjaagd of verbannen. Dat was ook zo in Knesselare. De Fransen gingen tijdens hun bezetting omstreeks 1800 voor “vrijheid van onderwijs”. Van “verplicht” lager onderwijs was er wegens geldgebrek nog altijd geen sprake. Wel voor het eerst van een “schoolmeester”, Bernard Francies Maeyens, later ook even gemeentesecretaris .

Het oudste boekje

Zoals gezegd, lokale bronnen over onderwijs op het platteland zijn schaars. Niet meer dan een aantal overheidsdocumenten, enquêtes en verslagen. Dat wordt pas anders na 1830.

Ook materiële objecten uit die tijd zijn schaars. Uitzonderlijk zijn er wat documenten bewaard in het archief van de familie Maeyens, met name een paar schrijfboekjes en teksten uit de Franse tijd (1796-1803). Ze bevatten teksten (dictaemen, rijmdictees) die toenmalig schoolmeester Joannes Franciscus Roose uit de Kloosterstraat aan zijn leerlingen meegaf. Een van zijn leerlingen was Joannes Maeyens (1784-1872), van wie enkele schoolschriftjes zijn bewaard. Simpele rijmelarijtjes, maar bij nader toezien toch interessant.

Wat de kleine Maeyens in “schoolschrift” noteerde leert ons hier en daar wel interessante dingen over de samenleving van toen.

Over SinterklaasDezen avond, Schoolgezellen, Moet gij al uw kloefken stellen – Om daarin te hebben wat fraeijs, van Sinte Nicolaeijs – Dien heijligen opgetogen, komt  in de kaven gevlogen – Met zijn koekskses en bussschuyt om het al te deelen uijt – Hij zal deelen ottentoten, citoyens en patriotten Schaepkens, peirdekens of koe, en aen sommige eene roe!

Over de taal (toen de d/t-regel nog niet was uitgevonden,,,) : Konstminnaers en –minaressen, leer met neirstigheid uw lessen – Cijfert, schrijft en leest met vlijt, speld en leerd d’wijl gij hebt tijd

Over het bollen op school _“Al die hier komen ter scholen moeten zorgen voor een bolle om te bollen met vermaek, altemael naer uwen staek, want het is om zoo te spreken vandaege en drij weeken dag op dag en dat is dus heiligen Gregorium den patroon al van de schoole,  dag op welke gij zuld bollen, om prijzen in …. Die ze wind zal blijde zijn. Elk zal hem zonder manqueren lustig moeten defenderen dus ….. van mij bemind zoekt een bolle daer gij me wind.” (24 dictaeme 1801)

Jaren 1800

Omstreeks de jaren 1800 werden meer en meer vrije schooltjes ten huize opgericht. De belangrijkste was die van Jan Baptist Arnaut, Hij gaf thuis les en leerde de kinderen “lezen, schrijven met de ganzenveder en rekenen”. Wekelijks ging hij te voet naar Gent voor wat bijscholing. Er kwamen ook schooltjes op De Dries, in de Molenstraat en in de Kloosterstraat.

Een andere bron uit de Franse tijd zijn de administratieve rapporten. De Knesselaarse burgemeesters waren nogal eens “niet mee met de wereld”… Burgemeester Johannes Van Couter (1800-1806) antwoordde in een enquête dat hij een gemeentelijke school helemaal “niet nodig” vond…  “Onze jeugd moet op het land werken… en zou toch maar twee à drie maanden naar school komen”.

Zijn opvolger Karel Constant Legiers (1806-1848) meldt in april 1816 aan het bestuur – nu de Nederlanders – dat het onderwijs in Knesselare “bijna dood” was; Er was naar zijn zeggen “geen enkele onderwijzer meer”.

Een paar privéschooltjes waren er nog wel, maar ook hier past enige twijfel over de kwaliteit ervan. Op het programma van een koppel met een schooltje op de Pietendries  stond “Kruyskensboekskens, de catechismus, de Nederduyttsche Spelkonst, de Historie van Helena en het schrijven, Den zielen Troost…” Het schooltje werd uiteindelijk geschrapt van de subsidielijst.

Na 1830

Karel Arnaut

De gemeente opende in 1830 dan toch en voor het eerst een gemeenteschool in de Hoekestraat, vlakbij het kruispunt met de Molenstraat.

We schuiven op naar een ander interessant document: de enquête van de Gentse bisschop in 1849, bewaard in het Sint-Willibrordusarchief. Die leert ons dat er in Knesselare op dat moment twee speldewerkscholen zijn, “eene voor de meiskens en de andere voor de knegtjens”. Zo’n 140 kinderen zijn “in den schole gevoed”. Maar onderwijs?

Bij Justine Baelens in de Molenstraat gingen de lesuren aan 150 kinderen deels naar de “handwerkschool”, met  op het programma “oefenen in spellewerken, naaien, stoppen, breien, mazen en borduren”… In de hongerjaren 1845-1848, net voor het bisschoppelijk onderzoek – werden leerlingen die “werkten” bij Baelens uitbetaald in … brood. Wekelijks bedeelde men er 400 roggenbroden, “een zegen voor de parochie”… Isabella De Cuyper en haar broers onderrichtten vooral “naaldwerk” aan 170 kinderen. De toestand verbetert dus maar mondjesmaat.

Ernstiger werk deed Jan-Baptist Arnaut die al in 1803 met een privéschooltje was gestart en in 1844 tot “gemeenteonderwijzer” werd benoemd. Hij mocht zijn intrek nemen in de deels nieuwe gebouwen van de gemeenteschool, gebouwd nabij de hoek van de Hoekestraat en de Molenstraat  (nu Looierijstraat). Vanaf 1849 werd hij bijgestaan door zijn zoon Karel, “aenmerckende dat zijn vader maer een flauwe  gezondheyd geniet”.

Vader Jan-Baptist sterft in 1850, na in Knesselare 47 jaar onderwijs te hebben gegeven. Karel Arnaut (1824-1896) mag in 1857 naar de nieuwe gemeenteschool in de Veldstraat en krijgt er later assistentie van zijn zonen Alfons (1875) en Jules (1878). De Arnauts verhuisden omstreeks 1880 uiteindelijk naar de nieuwe jongensschool, gebouwd door de toenmalige pastoor als reactie op de maatregelen die een nieuw liberaal Belgisch bestuur trof tegen de godsdienst (De ‘Ongelukswet’, 1878), maar da’s voor later.

Klooster en de zusters van Liefde

Een tweede belangrijke en nieuwe ontwikkeling was de komst van de Zusters van Liefde naar Knesselare.

Ze bouwden in 1855-1856 een klooster in de Oude Gentweg (later Kloosterstraat), op een terrein van bijna vijf hectare grond, gesteund door de financiering van de heer en “weldoener” Jan Baptiste Van de Woestyne (1775-1858).

De site was in eerste instantie  een “weldadigheidsgesticht” voor ouderlingen en weesmeisjes. Maar tegelijk startte men met een lagere school en een kantwerkschool. Later kwam er nog een zondagsschool en een kleuterschool.

De onderwijsmethode van de zelf onvoldoende geschoolde zusters in hun lagere school was zo ondermaats, dat er negatieve rapporten kwamen van de provinciale inspectie, wegens foute leermethode, foute boeken, onvoldoende personeel De school kreeg dan ook geen subsidies en bleef een ‘vrije school’.

Een van de oudste foto’s genomen in de school van de Zusters van Liefde (zie bovenaan). Straalt niet meteen geluk uit. (foto zeker voor 1892 genomen)

De kantwerkschool van de zusters was dan weer eerder een werkplaats. De kinderen werkten er elf uur per dag, aldus Willy Stevens, auteur van een historiek van de school. Van 6 tot 12, met een pauze van 9 tot 10. En van 13 tot 20, met een pauze van 16 tot 17 uur. Dat was de situatie in arm Vlaanderen, midden de jaren 1800 … De school werd in 1892 overgenomen door de zusters franciscanessen.

Kolkende ketel

De organisatie van het onderwijs in Vlaanderen wordt na 1850 op nationaal vlak stilaan een kolkende ketel, met grote tegenstellingen tussen katholieken en liberalen, bijgenaamd “de Ciezen” en “de Geuzen”. Die tweestrijd beheerste ook de politiek. Dat is iets  voor een volgende keer.

Bronnen: A. Ryserhove, Het Onderwijs te Knesselare, W. Stevens, Bijdrage tot de geschiedenis van het lager onderwijs in Oost-Vlaanderen, 100-jaar Crombeenschool te Knesselare, A. Ryserhove en G. en J. Van de Casteele: 100 jaar vrije jongensschool te Knesselare, F. De Potter en Brouckaert, Geschiedenis van Knesselare, Liber Memorialiis Sint-Willibrordusparochie,  F. Maeyens, schoolboekje Joannes Maeijens.

 


Ontdek meer van KnesselaarsNieuws

Abonneer je om de nieuwste berichten naar je e-mail te laten verzenden.

Geef een reactie