Minor Swing – In maart weer toneel in Knesselare

 

Het is weer tijd om uw kaarten te bestellen voor toneel in Knesselare. De Rederijkersgroep speelt in maart zeven voorstellingen van Minor Swing, 1969, een kermisweekend in Ranzegem. Geert Van Ryckeghem regisseert. Geert De Groote lanceert de campagne.

Vorig jaar brachten jullie met succes het stuk Augustus, ergens op de vlakte dat zich afspeelde in een Amerikaans landhuis. Waar trekt de toneelgroep dit jaar naartoe?

Geert De Groote: We ruilen de weidse vlaktes van Oklahoma voor de Vlaamse klei alhoewel de naam van het stuk daar niet meteen doet aan denken. Minor Swing verwijst naar de afkomst van het meisje rond wie het verhaal is opgebouwd. Het is ook de naam van een bekende compositie  van gipsy jazz-muzikanten Django Reinhardt en Stéphane Grappelli.

Waarover gaat MINOR SWING?

Het gaat over een bewogen kermisweekend in het Vlaamse boerengat Ranzegem. Deze dorpskermis ken al jaren hetzelfde verloop. Naast de traditionele attracties staan ook de schieting op de staande wip, de koers, het T-dansant van de Chiro en het Bal van de Wielerclub op het programma.Maar in de zomer van 1969 komt met de foorkramers ook een zigeunerfamilie mee en dat zal niemand onberoerd laten. De ruime spelersgroep, onder leiding van Geert Van Ryckeghem, bestaat uit een mix van oudgedienden en nieuwe gezichten.

Is het een komedie?

Ik val waarschijnlijk in herhaling als ik zeg dat de meeste van onze producties niet in 1 hokje passen en dat is met MINOR SWING niet anders. De personages zijn stuk voor stuk herkenbare volkse figuren met vaak grappige uitlatingen maar er zit ook een donkere thematiek in het verhaal verweven. En die is jammer genoeg nog steeds actueel.

Wordt er terug in de feestzaal van Knesselare gespeeld?

Door de fusie met Aalter dienen er zich natuurlijk meer mogelijkheden aan qua locatie, maar voor dit nostalgisch stuk was de afgeleefde Knesselaarse feestzaal de geschikte plaats. Ik kan alvast verklappen dat de setting redelijk ongewoon zal zijn.

Wanneer wordt er gespeeld en hoe kunnen kaarten gereserveerd worden?

We spelen 7 voorstellingen op 8, 9, 15, 16, 17, 22, 23 maart 2019 om 20 uur, inkom 12 euro. Opgelet: De kaarten zijn vanaf dit jaar online te reserveren via www.rederijkers.be(-18 jarigen, studenten en leden van Opendoek krijgen € 2,00 korting aan de inkom)

Voor info en vragen: geert.de.groote@skynet.be – 0495 26 66 43

Toemaatje: sprokkels uit onze archieven

(TONEEL)FEESTEN VOOR HET VOLK

Het is waarschijnlijk dat er voor de stichting van de Strijdbroeders (1893) in Knesselare ook toneel werd gespeeld, maar hierover zijn nauwelijks gegevens bewaard. De vele toneelgroepen die tot op het einde van de  18de eeuw ’s zondags na de versper in alle dorpen vertoningen gaven, verdwenen na de Franse Revolutie. Hier en daar bleven er liefhebbersgroepen over.

Rond 1848 begon het dorpstoneel te herleven. In de lokale nieuwsbladen (kranten) verschenen berichten over ‘toneeloefeningen’. De bloei ervan werd echter geremd door de tegenwerking van de geestelijkheid die het theater als duivelswerk beschouwde. Toch geeft een telling in 1864 reeds 27 stads- en dorpstoneelgroepen voor Oost-Vlaanderen.  (Edmond Vander Straeten, ‘Le théatre villageois en Flandre’ en Karel Van Isacker, ‘Mijn land in de kering’).

Met de stichting van De Strijdbroeders wordt die trend gevolgd. Bijna onafgebroken brengen ze na 1893 jaarlijks een of twee toneelopvoeringen.

Op tweede Kerstdag 1893 heeft de eerste voorstelling plaats in de kantwerkschool van het klooster.  Men speelt twee blijspelen (‘Mijnheer is op reis’ en ‘Het portret van een schoonzoon’) en een drama (‘De oudste zoon, een dronkaard’). Deze voorstellingen gebeuren in samenwerking met de fanfare (zeker tot 1922) en het zangkoor (vermoedelijk tot 1906).

Eerste toneelvoorstelling in het stichtingsjaar 1893

In een pre-elektrisch Knesselare hebben de uitvoeringen plaats op een zondagnamiddag, vaak om 15 u.  Ergens staat vermeld dat een opvoering werd uitgesteld “omdat er geen volle maan was”.  Op de affiches wordt vermeld dat de voorstelling zal geëindigd zijn voor het vertrek van de laatste tram naar Brugge en Gent.

In het blad ‘t Getrouwe Maldegem lezen we in januari 1898: “Wij hebben er geweest: propvolle zaal en eene vertooning die dubbel de moeite en geld waard was. Opgemerkt hoe hier alle klassen en standen op het tooneel medespeelden, vandaar dat ook de stukken veel keuriger voorgedragen werden, dan wel op eene buitengemeente te verwachten is. Dat bleek vooral in het treurspel “Vergiffenis”. Maar hier gelijk elders bevonden wij dat de toehoorders zelf daar nog niet tegen kunnen. Zij lachen om niet te moeten weenen! Best gaat hun het kluchtspel.”

De opbrengst

De opbrengst van de toneelopvoering gaat naar het kerkelijk genootschap Vincentius a Paulo, dat zorgt voor “de stille armen van de parochie”.  Die sociale functie blijft behouden tot 1914.

Uit het archief van de Vincentianen  weten we dat die kledij, voedsel en brandstof geven aan 49 arme huisgezinnen.  “Er is volgens noodwendigheid verdeeld geworden (in 1899): 129 ellen katoen, 25 broeken, 14 bovenvesten, 37 kleeden, 26 hemdrokken, 17 gemaakte hemden, 18 voorschooten, 46 paar kousen, 61 sargies… 11,5 zakken aardappelen… 7,5 hektoliter kolen…”

Knepen en streken van Scapijn (1920)

Na het verdwijnen van het Vincentiusgenootschap  gaat geld naar de pastoor. In de jaren twintig vraagt die plots veel meer en het komt tot een felle ruzie binnen de Strijdbroeders. De voorzitter Alfons Arnaut en zijn broer Jules nemen zelfs ontslag als de leden het duurdere tarief weigeren te betalen, tegen de zin van het bestuur in.

Later gaat de opbrengst ten dele naar de bibliotheek, naar de parochiale werken, naar winterhulp (WO2), naar de missionarissen, naar de slachtoffers van de grote overstromingsramp in februari 1953 (gastopvoering in Aalter van De Melodie van de Zwerver). Met geld van de Strijdbroeders worden ook 50 stoelen gekocht voor de parochiezaal.  “En allemaal gebruiken ze nu het theater, maar de brave Strijdbroeders kunnen betalen en het verbruik van de electriek komt op onzen nek”, zo klaagt verslaggever meester Segers nog in 1943.

Het theater

Het eerste toneel wordt gespeeld op een in Kleit geleend theater, maar kort daarna maken Alfons Hooft senior en Hippoliet Buyse er zelf een.  Sterk, handig gebouwd en verplaatsbaar.  Dat is nodig, want men speelt in de kantwerkschool, waar het theater telkens weer moet worden opgebouwd en afgebroken.  De zaal biedt er plaats aan zo’’ 400 mensen.

Vanaf 1902 wordt toneel gespeeld in de nieuwe parochiezaal (‘patronage’), “’t schoonste theater uit den omtrek”. Vandaag nog …

Na de Eerste Wereldoorlog blijft er van dat theater weinig over.  De schade was zeer groot en wordt maar gedeeltelijk vergoed. Enkele oudere toneelspelers vertelden begin de jaren 1990 hoe dit theater voor het prille begin van de 20ste eeuw tamelijk professioneel was. “De plankenvloer had een helling, er was een kelder als kleedkamer, in de plankenvloer was een luik om vlug meubilair en andere rekwisieten te verhandelen, het toeschuivend doek was door de Strijdbroeders vervaardigd in gele kleur met zwart motief.  De verlichting gebeurde met petroleumlampen.  Het glas moest voor iedere opvoering gekuist worden.  Emiel Buyse vond een systeem, waarbij met behulp van buizen, katrollen, kabel en touw de lichten in de zaal konden ‘gedimd’ worden!  Rond 1930 werden ‘lichtbakken’ geïnstalleerd aan de zoldering, aan zijkanten en als voetlicht vooraan”, aldus Walter Van Ryckeghem.

De repetities

Hoe het eraan toe ging in die eerste repetities is nog moeilijk te achterhalen.  Wel weten we dat er tekstboekjes werden besteld en dat de rollen daaruit werden overgeschreven in een ‘cahier’.  En wel dusdanig dat men telkens de laatste zin van de tegenspeler mee noteert om de dialoog vlot van buiten te kunnen leren. In de jaren dertig gaan de repetities door rond de Leuvense stoof in het café van de familie Verhoestraete.

Pas kort voor de opvoering repeteert men in de parochiezaal, waar het verschrikkelijk koud kan zijn. De rolkennis is bij sommigen maar dunnetjes, want de vrijdag voor de opvoering durft men nog met een tekstboek in de hand over de scène lopen.

“Tijdens de opvoering is de souffleur (de ‘opgever’) een onmisbaar man.  Een bepaald type acteurs ‘speelt op de souffleur’.  Dat wil zeggen dat ze nogal vaak proberen zo onopvallend mogelijk in diens buurt te wandelen om de tekststeun ingefluisterd te krijgen.  Soms horen de mensen in de zaal dan ook duidelijk een en ander dubbel zeggen…”, aldus nog Walter van Ryckeghem.