Politiek stof: de geuzen van Knesselare

Het is nog even wachten op gemeenteraadsverkiezingen (oktober 2018), maar de partijen beginnen er zich stilaan op voor te bereiden, zeker in de steden. K’s Nieuws blikt in de komende maanden eerst nog even achteruit. Naar de politieke strubbelingen die ook in ons dorp bij momenten heel heftig waren. Vandaag een eerste aflevering over de strijd tussen “de geuzen en de klerikalen”.

  1. Het politiek leven in Knesselare beperkt zich, zoals in zoveel andere dorpen, vooral nog tot gewone kleinmenselijke en lokale geschillen. Via het kiesstelsel dat op hun lijf is geschreven (cijnskiesrecht) hebben de meer begoeden het bestuur in handen. Er zijn verschillende lijsten , maar er is meer persoonlijke en familiale strijd dan politieke strijd. Tot einde de jaren 1870 een stukje van de hel in zicht komt…

Ideologisch gekleurde partijen zijn er op landelijk vlak maar sinds het midden van de 19de eeuw (liberale partij °1846 en Katholieke Partij °1869). Voor parlementsverkiezingen mocht maar een paar procent van de mannen (+21) stemmen. Op algemeen stemrecht is het nog wachten.

Eugeen Maeyens, “heel en vroedmeester” is hier burgemeester van 1848 tot 1859. Hij wordt opgevolgd door August Wille, ook al een dokter. De schoolstrijd zorgt voor een splijtende kloof. Liberalen worden hier voor jaren buiten geborsteld.

Dokter August Wille, de geus die weg moest

Wille wordt door een aantal tegenstanders als liberaal bestempeld en steeds verder in het liberale kamp geduwd. Liberalen en katholieken schieten de heftigste pijlen over en weer.

Heel hevig wordt het in 1878, als bij de parlementsverkiezingen de liberalen de absolute meerderheid behalen. Het  conflict sluipt ook binnen in de Knesselaarse politiek. De liberalen besturen het land en via een nieuwe wet op het onderwijs verplichten ze gemeenten om ten minste één officiële school te hebben. Leraars moesten een diploma van een rijksnormaalschool bezitten, godsdienst mocht er alleen nog buiten de lesuren worden gegeven.  Gemeenten mochten ook geen vrije school meer subsidiëren.  De katholieken spraken van een ‘ongelukswet’, verboden hun onderwijzers in ‘scholen zonder God’ (geuzenscholen) les te geven, en ouders mochten er hun kinderen niét naartoe sturen. Ze richtten massaal vrije scholen op. Het percentage leerlingen in vrije scholen steeg van 13 procent in 1878 naar 63 procent in 1880. Bij de verkiezingen van 1884 leden de liberalen een verpletterende nederlaag.

Voor de katholieke politici van Knesselare zijn de mensen van de lijst Wille “mannen die handlangers zijn der vijanden van ons Geloof, der beschimpers onzer zonen en dochters die een geestelijk kleed dragen… der verkwisters der openbare fondsen in zedelooze schouwburgen en goddelooze scholen”.

Liberale spotprent uit 1878 waarop een geestelijke moet toezien hoe de officiële school door de nieuwe onderwijswet succes kent. In werkelijkheid was het andersom.

n pamfletten uit de gemeentelijke kiesstrijd van 29 oktober 1878 ging het er al hard aan toe: “Het ministerie wil het onderwijs vergeuzen…Leert het liberalismus kennen: met alle middelen den godsdienst bestrijden, modder en slijk op de geestelijken werpen, oorlog verklaren aan de kloosters, onze processieën verstoren en onze bedevaarders met stokken en zonneslagen den kop inslaan”, schrijven de Knesselaarse katholieken in een pamflet.”Uwe ouders hebben u verteld van de jaren (17)92, wanneer de kerken gesloten waren en de eerbiedwaardige pastoor van Knesselaere aan eenen paardenstaart door de straten gesleept werd.”

Dit pamflet mist zijn uitwerking niet. Vijf nieuwe katholieke kandidaten moeten hier worden verkozen (het was toen gebruikelijk bij verkiezingen de helft van de gemeenteraad te vervangen). De liberalen worden bij de verkiezingen van 1878 ook in Knesselare van de kaart geveegd. August Wille weert zich als een duivel.

De Gentse liberale en Franstalige krant La Flandre Libérale publiceert op 14 november uitvoerig een klacht van Wille tegen de verkiezingen. In de klacht is sprake van intimidatie van kiezers door de katholieken én door de pastoor en de onderpastoors van de gemeente én door ter plekke gehaalde paters…   Volgens de liberalen werden ze in preken, kerkbezoeken, etc. omschreven als “ketters” en wie voor hen durfde te kiezen zou geen absolutie meer krijgen en branden in de hel.

wille1b

 

 

 

 

 

 

Enkele passages uit de brief van Wille:

  • De kiezer J.V. kreeg bezoek en kreeg te horen dat hij – indien hij zou gaan stemmen en voor een liberaal zou kiezen – niet meer tot de biecht zou worden toegelaten en vast geen “absolutie” zou krijgen voor zijn zonden. Bovendien zou hij de grond die hij pachtte van mevrouw D. niet langer zou kunnen pachten. De man kon er een nacht niet van slapen en ging uiteindelijk niet stemmen
  • De heren F.S. en A.D. en C.R. kregen eveneens bezoek van “un agent catholique” waarbij werd gedreigd dat ze hun pachtgrond zouden verliezen
  • De heren J.H en B.D en E.M. werden bedreigd en namen geen deel aan de verkiezingen
  • Het huis van de heer F.S zou worden afgebroken indien hij ging stemmen. In de biechtstoel kreeg ook hij te horen dat hij niet meer zou worden toegelaten tot de biecht. Zijn vrouw kreeg te horen dat haar man een van de grootste “vauriens” (nietdeugers) van de gemeente was. Als hij niet naar de pastorie zou komen voor een gesprek met de pastoor zou hij zijn rechten verliezen
  • De heer D.V. kreeg te horen dat zijn kinderen hun eerste communie niet zouden mogen doen als hij voor de liberalen zou stemmen. Hij zou uit zijn boerderijtje worden gezet.

Nog 30 andere kiezers kregen gelijkaardige bedreigingen, aldus WIlle. De priesters stelden in hun preken de liberalen voor als ketters, zo luidt de klacht. Wie hen steunde zou branden in de hel. Blijkt dat voor het preken tegen het liberale gevaar vaak minderbroeders franciscanen (recollecten) naar Knesselare kwamen, die nog veel heftiger tekeer gingen.

wille2ok

 

 

 

 

 

 

De katholieke partij in Knesselare reageerde in een lange brief aan de provincie tegen die klachten. Ze citeerden alle beschuldigingen uit de Gentse krant en veegden die van tafel als onzin en laster. Met praatjes kan men niets bewijzen, luidde het.

De brief was ondertekend door de zes nieuw gekozen katholieke kandidaten. Uiteindelijk keurt het provinciebestuur de verkiezingen van 1878 goed. Katholieken nemen voor enige tijd het gemeentebestuur over.

Even later schrijft Wille: “Onze tegenstrevers, onze vijanden hebben om te winnen, voor uwe oogen het liberaal spook doen zweven… Wij lieten elk in zijn wezen en nooit heeft er spraak geweest in onze zittingen van liberaal of klerikaal…Neen, wij zijn geene geuzen…Eerbied en achting voor de geestelijke overheden, dat hebt gij altijd bij mij gevonden…”

blauwWille verwijst ook naar een discussiepunten in de Knesselaarse politiek. Naar zijn aanvraag om een brug te leggen naar Maria-Aalter. Wille werd ervan beschuldig die te hebben bepleit bij de hogere overheid enkel en alleen om zijn oom van dienst te zijn. Hij wijst erop hoe hij zijn best deed om voor een nieuwe kerk te pleiten, samen met de katholieken in zijn bestuur. Hij werd ervan beschuldigd in Knesselare wegwijzers en lantaarnpalen blauw te hebben laten verven. “Eh wel! wilt gij eens het nieuw begijnhof gaan bezichtigen. Daar zult gij al de lantaarnstaken in het blauw geverfd zien”; dat blauw kouleur aangenomen door de begijnen schokt in de oogen van onze grote heren”… Wille werd er ook van beschuldigd de nieuwe “borduuren tot op het dorp te hebben geplaatst”. Omdat er geen geld was, licht hij toe. Hij werd ervan beschuldigd een duur gemeentehuis (“een paleis van 50.000 frank’) te willen laten bouwen.

Allemaal laster zegt Wille, die op zijn beurt de katholieken verwijt. Zij hebben “vreemdelingen” (lees: nieuwkomers uit andere gemeenten) gezocht om lijst te bemannen, … “mannen zonder bekwaamheid, schier ongeleerd, hunnen naam slechts kunnende teekenen”.

Tot slot van zijn pamflet werkt hij nog even op het gemoed van de inwoners: “Ik herinner mij nog dat noodlottig jaar 1847… waar hongersnood en dood de straten van Knesselaere doorwandelden, ja alsdan had ik nog een duurbaren vader die zijne medelijdende hand uitreikte tot de behoeftigen, een vader die kloekmoedig, als een soldaat op het slagveld, op de bres is gesprongen en zijn leven voor u, Knesselaars volk, heeft ten beste gegeven… Ik ben den afstammeling van dat slagtoffer, bereid zijne voetstappen na te volgen, want ik bemin mijne geboorteplaats waaruit mijne vijanden mij zouden willen verjagen.”

Hij is samen met De Grave en met Bockaert kandidaat voor de kiezing van 4 februari 1879. Het zal niet baten. De katholieke slaan keihard terug in een pamflet ‘Antwoord aan de Waarheid’. Wille wordt niet meer herkozen. Schepen Arnoldus Bellaert wordt tot 1897 de nieuwe burgemeester. De katholieken grijpen voor lange tijd de macht. Meer over dat pamflet in een volgende aflevering…

De “gemeenteschool” in de Veldstraat (°1858, voordien Molenstraat)  loopt zo goed als leeg, onder impuls van de nieuwe bisschop komt er een nieuwe lagere school in de Kloosterstraat, gefinancierd door pastoor Emile Van den Dooren.

En de liberalen? Het duurt tot in de volgende eeuw vooraleer ze weer meespelen in de Knesselaarse politiek.